|
Mijn
schoonvader komt uit Indië, mijn schoonmoeder uit het Groningse
dorpje Tolbert. Tolbert maakt tegenwoordig deel uit van de gemeente
Leek en ligt in het zuidelijk Westerkwartier van de provincie.
Al heel
wat jaren geleden kwam ik daar voor het eerst om kennis te maken met
de Gronings-Drenthse familie. Als de gehele familie op zondagsochtend,
onder het genot van een kopje koffie en daarna een borreltje of een
Beerenburger, bij opa en oma (Tolbert) bij elkaar was, vroegen ze; 'Jan
kan je ons wel verstaan?' Ze dachten, ach zo'n stadse jongen. "Nou
mooi wel".
De aaneengegroeide dorpen Leek en Tolbert vormen een regionaal verzorgend
centrum met onder meer veel onderwijsvoorzieningen. In Tolbert word
je wijs, naar wij hopen en veel meer kan ik over Tolbert niet over vertellen.
Ik heb er per slot van rekening niet op school gezeten!
Ja, de hervormde kerk van Tolbert dateert in oorsprong uit de 13de en
14de eeuw.
Mijn
schoonmoeder Metje is in dat dorp geboren (1923) en getogen, in een
voor hedendaagse begrippen groot gezin bestaande uit vader, die in de
verzekeringen zat, moeder, zes dochters en één zoon.
Maor
pas op veur Taitje Hörn,
Dei daor spookt op 't Olle Schild
In de nacht bie haarde störm. . .
Dit
gedichtje slaat nergens op, maar ik kon het niet laten.
Mijn
schoonvader Ruud geboren in het toenmalig Nederlands Indié, "de
parel van smaragd", in het jaar 1926, heeft daarintegen slechts
één broer, die al tientallen jaren in de Verenigde Staten
woont.
Over het Indisch verleden zijn al vele boeken volgeschreven en het is
niet aan mij daar iets over te vertellen. Ik weet daar gewoon als balanda
te weinig van.
Maar
ik kan misschien wel iets over het kerstfeest vertellen hoe dat door
de Nederlanders aldaar gevierd werd. Een witte kerst was en is daar
uiteraard uitgesloten en ook een echte kerstboom was daar niet te verkrijgen.
In plaats daarvan moest een tropische struik, een tjemara, uitkomst
bieden. Deze werd dan vrolijk versierd met ballen, slingers en echte
kaarsjes.
En ik
kan iets vertellen over de draadloze telefonie.
Hallo Bandoeng! Ja moeder, hier ben ik. We hebben het dan over het jaar
1927, toen koningin Wilhelmina zich voor het eerst rechtstreeks tot
de bewoners van de Indische gewesten richten, ofschoon het gehoor zeer
beperkt was, wie kon er in die tijd nu een ontvanger veroorloven. Een
jaar later werd er via de ether een spaarzaam kontakt gelegd tussen
beide landen. Telefoneren was toen niet erg goedkoop, omdat het signaal
door middel van korte golfzenders over de wereld werd verzonden.
Den
Haag, Den Haag de weduwe van Indië ben jij...
Zo kwam
mijn schoonvader met zijn beide ouders en jongere broer Maurits, als
Indische Nederlanders, na de oorlog in Den Haag terecht.
Zijn vader werkte voor de Tweede Wereldoorlog bij de Koninklijke Paketvaart
Maatschappij. Dit was een Indisch-Nederlandse onderneming en al diegenen
die met of voor die Hollanders gewerkt hadden, en ook nog de Nederlandse
nationaliteit hadden, werden door de Indonesische nationalisten onder
leiding van Soekarno, niet gewaarderd. Het devies was dan ook 'wegwezen'.
Omdat
mijn schoonvader de dienstplichtige leeftijd had, moest hij onder Neerlands
wapenen dienen. Daar leerde hij Arend van der Velde kennen, die uit
Tolbert afkomstig was. Zij werden zo gezegd maatjes , en Arend bood
mijn schoonvader aan om de weekends bij hem thuis door te brengen.
Ze waren bij hem thuis toch al met z'n 9-en, dus een kostganger er bij
was geen bezwaar.
Daar in Tolbert, je begrijpt het al, leerde de jonge Ruud Wilkens het
meisje Metje, één van de zusjes van der Velde, kennen.
En verliefd waren ze, velen dorpelingen keken hun ogen uit als zij beiden
stijfgearmd, of hand in hand, door het Groningse dorp liepen.
Zo'n gekleurde meneer trok toch heel wat bekijks en ongetwijfeld zullen
er mensen geweest zijn die zich afvroegen 'wat ziet zo'n Hollandse meid
in zo'n zwartje'.
Welnu, gelukkig voor mij wel, anders was ik tot op de dag van vandaag
een oude verstokte vrijgezel gebleven.
Ze traden
in 1948 te Tolbert in het huwelijk.
Er werden twee kinderen geboren, mijn gewaardeerde schoonzuster Terry
en uiteraard mijn vrouw Inge.
Het
gezin woonde bij de ouders van mijn schoonvader in, op de Beeklaan in
Den Haag.
Twee huizen verderop woonde de toenmalige minister-president Willem
Drees, "Vadertje Drees" bekend van de ouderdomsvoorziening,
de voorloper van de AOW.
Bij hun in huis woonden ook Tante Jo met haar kinderen Paul en Annemarie.
Haar man/hun vader was in de oorlog omgekomen in Japanse krijgsgevangenschap.
De zusjes Terry en Inge hebben hun Indische oma maar kort gekend, zij
overleed in 1956.
 
Inge
stond vanaf heel klein al als haar oma kookte, lekker Indisch, met haar
neus boven de potten en pannen en dat is haar aardig bij gebleven "adoe
zij kan lekker Indisch koken ja".

Met Indische verjaardagen werd er al dagen van tevoren gekookt, want
iedereen bleef natuurlijk eten. Inge haar opa en oma waren een paar
dagen na elkaar jarig, geen probleem, dan werd er gewoon twee keer in
de week gekookt en gefeest. En iedereen kwam ook gewoon twee keer "geef
niks joh". Tante Dé, tante Bé, tante Troel, oma Joe,
tante Jo en hoe ze ook allemaal heetten. Voor Inge en Terry, die eigenlijk
Teresa heet, was dit allemaal zo vanzelfsprekend, al die tantes en ooms.
En dan nog te bedenken dat al die tantes en ooms niet eens bloedverwanten
waren, sterker nog ze heetten ook geen Dé, Bé, enz. Inge
haar oma heette Adéle Eleonora, maar iedereen noemde haar Noes.
Het was gebruikelijk zo'n andere naam, ook voor de mannen, Eus, Tatti,
en hoe ze echt heetten kan Inge zich niet meer herinneren.
Grootvader Wilkens overleed in 1967 op een leeftijd van 70 jaar.
Mijn
schoonouders wonen nog altijd in "de weduwe van Indië":
Den Haag.
Ondanks dat de één uit het verre Indië
komt en de ander uit, voor Nederlandse begrippen, het verre noorden
van het land, is het toch hun Haagje geworden.
Het Haagje van Couperus, Eline Vere en hoe toepasselijk Oude
menschen, de dingen die voorbijgaan.
Dit was een klein historisch stukje over mijn schoonvader uit Indië,
en mijn schoonmoeder uit het Groningse dorpje Tolbert.
|