De
tandem
Zoals
de trouwe lezer van deze site wel van mij gewend is, weer een verhaal
over de jaren 50.
Niet omdat deze tijd zo plezierig was, het was een saaie en een heel brave
tijd, dus als er toen iets leuks gebeurde, vergeet je dat je hele leven
niet. Zo ook het verhaal over de tandem.
Nederland
was bezig met de wederopbouw.
Zo goed als de meeste van ons het nu hebben, hadden we het in die jaren
dus niet. Toen was het een tijd dat ieder dubbeltje moest worden omgedraaid,
met andere woorden we hadden het toen, wat men noemt, niet breed.
Slechts een enkeling was in het bezit van een auto.
Wij niet, wij hadden een tandem, omdat mijn moeder in dat "drukke
verkeer" niet alleen durfde te fietsen.
Ik had nog geen fiets, daar was ik nog te klein voor, maar mijn beide
broers, Joop en Dirk, wel.
Ik mocht dus bij mijn ouders achterop, iets wat ik nou niet zo erg geslaagd
vond.
Je had van die kinderen die ons dan zagen fietsen, die in lachen uitbarsten
en hun ouders riepen met de mededeling: "kijk eens mamma een tweelingfiets".
Ik kon dat niet zo waarderen en ik schaamde me ook wel een beetje om mijn
moeder.
Waarom was zij toch niet zoals die andere moeders, die wel alleen durfden
te fietsen.
We gingen ook al niet met vakantie, wij gingen dagjes uit, met meestal
als eindbestemming het in de duinen gelegen Meyendel.
Het was een prachtige doordeweekse dag in de zomer.
Wij, de kinderen, hadden zomervakantie, maar mijn vader werkte gewoon.
Er moest natuurlijk brood op de plank komen.
Nadat we het avondeten hadden genuttigd, stelde mijn vader voor om nog
een stukje te fietsen, het was ook zulk prachtig weer en het was toch
nog lang licht.
Hierover dachten mijn broers wel anders. Zij gingen op zo'n prachtige
avond liever een balletje trappen of iets dergelijks, maar we waren nu
eenmaal een hecht gezin, dus mochten zij met tegenzin hun beide beentjes
op de pedalen laten ronddraaien.
De fietsen werden van het portiek gedragen en keurig opgesteld voordat
de reis een aanvang nam.
Eerst de tandem, vader en moeder en kleine Janneman, dan kwam mijn broer
Dirk en daar achter mijn oudste broer Joop. In deze volgorde diende de
gehele weg gereden te worden. Mijn vader, de captain, voerde het peloton
aan.
Het moet een uur of zeven geweest zijn dat we vertrokken met, en je raadt
het wel, bestemming Meyendel.
Over de
Rijswijkseweg naar het Rijswijkseplein, over het Schenkviaduct en de Schenkkade.
Verder weet ik het niet zo precies, maar dat doet er ook niet zo toe.
In ieder geval kwamen we uit op de Landscheidingsweg richting Wassenaar.
We sloegen de Zijdeweg in en rechtsaf de Buurtweg op. Als we de Waldeck
Pyrmontlaan in sloegen, werden we omringd door kapitale Wassenaarse villa's.
Ja, zo zou het ook kunnen zijn, als mijn vader geen amtenaar was geworden,
maar een gewiekst zakenman.
Maar goed,
het weer was heerlijk en de vogels vloten ieder hun eigen lied. Tjilp,
tjilp.
Nog een keer linksaf en daar fietste het gehele gezin op de Meyendelseweg.
Links met de weg mee en daar doemde het ruige duinlandschap op.
Daar reden we over flauw hellende en dalende fietspaden. Het gezin genoot
met volle teugen, de zuurstofrijke duinlucht inademend, of waren het alleen
onze ouders? Na een twintig, vijfentwintig minuten dook er een vijfsprong
op.
Links zo die gaat, sprak mijn vader. En daar reden we over flauw hellende
en dalende fietspaden, nog steeds genietend van het prachtige duinlandschap
en de nu toch ook al ondergaande zon.
Het duinpark lag daar in de rode zonnegloed, toen we een vijfsprong naderde.
Verdomme, zei mijn vader, hier zijn we daarnet toch ook al geweest.
Het peloton stopte. Enigszins woest keek mijn vader in het rond.
'Ik denk rechtsaf Jan', sprak mijn moeder tegen mijn vader. 'Wat weet
jij daar nu van', bromde hij, 'we gaan linksaf, dat pad in'. Met de pest
in zijn lichaam ging hij weer op de pedalen staan.
Daar fietste het gezin, ja nu weten jullie lezers het wel, in een steeds
donker wordend duingebied.
Mijn beide
broers werden het nu ook wel een beetje zat, en enigszins vermoeid fietsten
ze over de al bekende paden voort. Dit is alweer de derde keer, verdomme,
zei Joop tegen Dirk, dat ik hier rij. Dirk beaamde dat en Joop zei nog
iets wat niet voor publicatie geschikt is.
De fietsdynamo's werden op de banden geplaatst en drie witte en rode lichtjes
schenen door het al bijna nachtelijk donker.
Ik, als kleine jongen, vond het bijzonder spannend, nu was ik het die
met volle teugen genoot, ondanks het gebrom van mijn vader en de troostende
woorden van mijn moeder, richting mijn vader.
Daar was hij weer, de vijfsprong...
Doordat het nu aardedonker was geworden, waren de lichtjes van Wassenaar
aan de rechterzijde goed zichtbaar. Dankzij dit fenomeen van licht in
de duisternis zijn we die avond toch weer thuis gekomen.
Ik denk dat ik het niet hoeft te zeggen, maar op de terugweg werd er niet
meer gesproken, er werd slechts gefietst en gezwegen.
Alleen ik had het naar mijn zin, dit was de eerste keer dat ik het niet
erg vond om achterop een tandem te zitten.
|