Aan de waterkant

Overdenking tijdens het vissen

Hij had een hele uitrusting gekocht voor het vissen. Een viskoffer waar je tevens op kon zitten, een paraplu, zo'n hele grote groene, verschillende hengels, dobbers, haakjes noem maar op: hij had het. Maar het vreemde was dat hij, Arvid Meulenaar, eigenlijk geen visser was. Je zou mogen zeggen dat hij er totaal geen verstand van had. Het was hem aangepraat.
Hij was halverwege de veertig. Had keihard gewerkt in het familiebedrijf, zeventig, tachtig uur in de week. En toen het met het bedrijf wat slechter ging en hij alles op alles moest zetten om de firma weer winstgevend te maken werd het hem te veel.
Hij was finaal doorgedraaid. Neem eens een poosje rust had men hem gezegd, ga vissen. Zo was hij zo'n hengelsportzaak binnen gestapt, een hele grote, en daar had men hem van alles aangesmeerd tot boeken over vissen aan toe.

Daar zat hij dan aan de kant van het water en als hij dan eens een keer een vis aan de haak sloeg schrok hij geweldig. Nee, hij keek liever naar de op en neer deinende dobber in de hoop dat die niet onder ging.
Arvid had in een soort roes geleefd van carrière maken en voor de volle honderd procent gaan voor het bedrijf. Was in de tussentijd ook nog eens getrouwd met een vrouw die uit hetzelfde milieu kwam als hij. Tijd om lief te hebben had hij niet, er moest immers gewerkt worden.
Maar nu zat hij daar bij het langzaam stromend water, dat steeds weer ergens vandaan kwam en weer heen ging. Onophoudelijk. Hij had spijt dat hij daar nu zat, wand hij had veel beter kunnen gaan sporten, omdat hij in de jaren toch wel erg stevig geworden was. Al die zakenlunches en diners die nu eenmaal onontkoombaar bij het zakenleven horen.
Toch had hij geen zin om actief bezig te zijn, komt wel weer eens.

Arvid dacht aan het meisje van kantoor, Lotte, die hij veel aantrekkelijker vond dan zijn eigen vrouw Fabienne. Lotte was leuk en warm en zij had allures. Hij had haar wel eens mee willen vragen als hij de provincie in moest om allerlei zaken te regelen en in een hotel moest overnachten. Heimelijke gedachten. Maar hij had dat nooit gedaan. Hij dacht aan de consequenties die dat bij de familie en uiteraard zijn vrouw zou opleveren als men er achter kwam. En nu hij daar zat dacht Arvid met spijt dat hij het lef niet had om het te doen.
Spijt voerde de laatste weken de boventoon. Vanaf kindsafaan werd hij opgevoed om later in het bedrijf te gaan werken in een hoge positie. Alles werd voor hem gedaan en uitgezocht. Zijn schoolopleiding. En nee, geen voetbal, te ordinair, hockey op zijn minst. Muziek dat wel, maar dan wel klassiek. Zelfs zijn vrouw werd voor hem uitgezocht. Fabienne die als het niet ging zoals zij dat graag wilde, je aan kon kijken met een blik die je liet verstijven tot een zoutpilaar. Fabienne die zo koud was als ijs. Ze was er zelfs op tegen dat hij ging vissen, iets wat zij maar een volkse bedoeling vond.
Dit keer had hij doorgezet, terwijl vissen het toch niet was. Arme Arvid, zo met beide benen in de rauwe werkelijkheid gezet. Tegen kennissen, vrienden had ze niet, had Fabienne gezegd dat Arvid een poosje uit het zicht was om zich verder te bekwamen en wat meer tijd voor het gezin te hebben. Ofwel een sabbatical year.

Zonder verbeelding ben je niks, maar je kan ook te ver gaan, dacht Arvid.
Ja, zijn beide verwende kindertjes, twee meisjes, die werden niet klaar gestoomd voor het familiebedrijf. Zij werden door hun moeder zo gevormd dat het net zulke koude vrouwen zouden worden als zij. Zijn vader had hem zo graag kwalijk genomen dat hij geen zoon had, maar Arvid vond dat dit feit het beste van zijn hele leven was.
Veel had hij buiten het zakelijke niet ondernomen. Heel even had hij een relatie gehad met Berit.
Relatie is een te groot woord. Hij was wel eens met haar gaan eten en dat viel niet op want Berit was ook een zakenrelatie. Ook had hij een keer met haar hand in hand gelopen en slechts eenmaal gekust.
Daarna had hij niets meer van zich laten horen, wat Berit niet echt kon waarderen. Maar hij moest toch aan zijn carrière denken, het bedrijf, zijn vrouw en kinderen.

De dobber danste nog steeds op het water. Hij had dichter of kunstschilder moeten worden, maar daar moet je weer talent voor hebben. En stel dat hij dat had gehad dan zou zijn vader hem waarschijnlijk gezegd hebben dat hij niet van potverteerders hield. Luiaards en nietsnutten waren het. Er moet gewerkt worden jongen.
Hij haalde zijn hengel op. Aan het haakje zat geen aas meer. Hij liet de hengel weer zakken en het haakje zakte weer, nu doelloos, in het water terug. Hij had niet alleen moeten werken, maar ook moeten leven. Wat minder plichtsgetrouw moeten zijn. Maar zo was het niet gelopen. Zou de levensweg uitgestippeld zijn. Zou dat de bedoeling wezen. Maar waarom zat hij dan nu langs de waterkant met een hengel zonder aas?
Zou er ergens een groot boek zijn waar je levensloop in staat beschreven. Waar staat geschreven dat je nu langs de kant van het water moet zitten, doelloos met een hengel in je handen. Maar dat kon toch niet de zin zijn van het bestaan. Houdt het boek nu soms op en moet je de volgende regels zelf schrijven.
Is het toch aan de mens zelf om deels te bepalen hoe zijn leven gaat. Natuurlijk hebben allerlei gebeurtenissen invloed op je leven, maar je moet er zelf wat van maken.
Er was een windvlaag die de bomen deed buigen en het water liet golven. Alsof er een signaal van uit de hemel kwam. Zelf bepalen hoe je leven verder gaat. Het heft in eigen handen nemen. Maar was Arvid daar niet te oud voor geworden.

Een nieuw leven te beginnen en al het vertrouwde achter te laten. Het zou wel een enorm schokeffect opleveren. Hij hoorde het zich zelf al zeggen 'ik stop met dat belachelijke familiebedrijf van jullie, ik ga nu leven. Zijn vader zou wellicht er een hartinfarct aan over houden. Zijn moeder in tranen en snikkend zeggen 'dat kan toch niet jongen'. Zijn vrouw in radeloze paniek. Zij zou nu zelf eens die kilte kunnen ervaren. Maar waarschijnlijk zou ze tegen hem zeggen dat hij niet zo egoïstisch zou moeten zijn en dat hij ook aan haar en de kinderen moest denken.
Hij die zijn hele leven zo hard gewerkt had, egoïstisch? Maar wat zou hij moeten gaan doen. Hij had er wel eens meer aangedacht. En hij had er ook meerdere keren een langs de kant van de weg zien staan. IJscoman. Ja een ijscoman zou hij willen worden. Geen vervelende vergaderingen, maar gewoon gezellig langs de kant van de weg staan. Af en toe een praatje en glunderende kindergezichten als je hen een ijsje overhandigde. Dan werd in vergelijking met de ijzige kilte van zijn vrouw zo'n ijsje een warme versnapering, met of zonder slagroom.
Hij moest om zijn eigen gedachten lachen. Nee, zo zou het toch niet lopen. Straks zou hij zijn visgerei weer in de viskoffer opruimen. Dan ging hij naar huis, waar zijn vrouw hem zou vragen of hij een kopje thee wilde hebben. Een kopje thee, geef mij maar een whisky, dacht hij hardop. Hij haalde wederom zijn hengel op. Zocht naast zich in het gras naar het doosje maden. Schroefde het open en haalde er een uit, waarna hij het doosje weer afsloot. Prikte de maden aan het haakje en sprak, 'daar ga je Fabienne' en liet het de hengel weer in het water zakken. De dobber deinde op het wateroppervlak om dan geheel onder het water te verdwijnen. Beet!

Terug naar inhoud