Fietsend langs de rivier


 
Over de zin van het bestaan en andere beslommeringen

 
De zon was toch nog achter de wolken vandaan gekomen. Pieter van der Plaats liep naar het schuurtje achterin de tuin om zijn fiets te pakken. Op rustige dagen, het hoefde niet eens warm te zijn, maakte hij graag een tochtje met de fiets. Een goede wandeling of eens lekker een eindje fietsen had de dokter hem aangeraden. Pieter had in het verleden ernstige hartproblemen gehad. Zo had hij de fiets ontdekt. Het ontspande hem en hij kon over de meest uiteenlopende zaken rustig nadenken. Hij had ook zo zijn favoriete routes en één daarvan was langs een kleine rivier die door het landschap kronkelde.

Nadat hij zijn fiets uit de schuur had gehaald en door de poort de tuin verlaten had liep hij tussen coniferenhagen door van de aan de beide kanten van het pad gelegen tuinen. Bij de weg aangekomen besteeg hij zijn rijwiel en reed rustig weg. Pieter was de jongste niet meer. De zeventig was hij alweer een paar jaar gepasseerd. Hij kon zo langzaam fietsen dat één van zijn zoons de opmerking had gemaakt van, 'Pa je staat praktisch stil, je moet echt wel door trappen anders val je om’. Dergelijke opmerkingen maakten Pieter niet uit, hij genoot.
Hij fietste langs straten en pleinen de stad uit. De golfjes van het riviertje kaatsten de zonnestralen terug als kleine diamantjes. Het was een prachtige dag geworden zo in het najaar. Pieter had het warm gekregen en trok de beide handremmen aan waarna met enig gekraak het rijwiel tot stilstand kwam. Hij stapte af en trok zijn jas uit die hij op de bagagedragers vastbond en vervolgde zijn tocht. Beneden aan de dijk wapperde het wasgoed bij een boerderij. Zo is de mens altijd maar weer bezig; wast zijn kleding, maakt het vuil om daarna het wederom te wassen enzovoorts, enzovoorts. Dat doet hij ook met zijn eten, zijn hele leven lang. Bezigheden die de mens in een vast ritme laten leven.
Het ritme van het leven. Is dat dan de zin van het leven, dacht Pieter. Repeterende handelingen om zich gezond en in leven te houden. Het dagelijkse gedoe van bewegen, eten, werken om aan het eind van de dag te gaan slapen iedere dag opnieuw. Verschrikkelijk saai als je het zo bekijkt, als dat alles zo zou zijn en niet erg zinvol. Maar er is natuurlijk veel meer wat het leven toch boeiend maakt. Zou de zin van het leven er uitbestaan er voor anderen te zijn?
Een eenzaam leven is onwaardig. Op een enkeling na, een kluizenaar die de weg al jaren kwijt is, maar de rest van ons stervelingen kan niet buiten elkaar. We hebben elkaar nodig als steun en toeverlaat in verdriet en ziekte, maar ook om uitbundig feest te vieren. Toch twijfel ik wel eens. We slaan wel eens door bij het met elkaar zijn. Op een mooie zomerse dag gaat de hele goegemeente naar het strand om voor we daar dan uiteindelijk zijn uren lang, met z’n allen, in de file te staan. Zo ook naar pretparken, dierentuinen en zelfs tuincentra.  Is het alleen zijn tegenwoordig dan zo angstig geworden? Ikzelf vind het heerlijk hier in deze onbeschrijfelijke stilte rond te toeren, mijmerde Pieter.

Met een rustig pedaaltred fietste hij verder. Het groene polderlandschap trok aan zijn blik voorbij. Allemaal mensenwerk, dacht hij. Maar ook in ons dagelijks leven hebben we elkaar nodig. Al was het alleen maar om ons te voeden. Ik zie mij toch niet zo gauw een dier slachten of tarwe te verbouwen om daar later brood van te bakken. Als ik zo als een oermens zou moeten leven zou ik dan ook zo van het leven kunnen genieten? Geen fietstochten, wat ik dan toch als een groot gemis zou ervaren. Maar dan zou ik het genot van het fietsen wellicht niet kennen en wat je niet kent kan je nu eenmaal niet missen. Wat een geluk dat zo velen de zin van het leven kennen, want met mijn onhandigheid zou ik al snel het onderspit delven.
Stel dat de chirurgen, op het moment dat ze mij moesten opereren, geen zin in het leven hadden dan was het snel bekeken met mij. Pieter toverde een tevreden glimlach op zijn gezicht. Ik mag de zin van het leven wel dankbaar zijn, opperde hij.

Er kwam een bootje aangevaren dat in het riviertje golven trok. Achter de opbouw van het scheepje was het ontblote bovenlichaam van een vrij stevige man te zien. Deze dikbuikige man bestuurde het scheepje als een kapitein van een ware oceaanreus. Nu kreeg hij Pieter in de gaten en stak zijn hand op. 'Het is toch maar mirakels mooi weer geworden', schalde het over het water. De dikbuikige man lachte er bij. Pieter knikte en zwaaide beleefd terug. 'Zo, lekker aan het fietsen' klonk het wederom. Nu kwam Pieter tot het besef dat we elkaar niet altijd nodig hebben. De dikbuikige man hem wel, maar hij de dikbuikige niet. 'Ja, ja', riep Pieter terwijl hij wat meer kracht op de pedalen zette om verlost te zijn van de man.
Nu was alleen nog maar het plok, plok te horen van het motortje van het scheepje. Beiden vervolgden hun weg ieder in een verschillend leven. Pieter had de snelheid weer gematigd. De gevel van een fraai huis dat aan de oever stond spiegelde in het water. In de verte was een molengang te zien. Molens die het landschap zo typisch Hollands weergeven. Zij die de polder al eeuwen geleden droogmaalden. Nu prachtig uitgelicht in de najaarszon met dreigende wolkenpartijen op de achtergrond. Dat zou best wel eens een flinke bui kunnen zijn, dacht Pieter en stopte het rijwiel. Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en snoot zijn neus, draaide zijn fiets op het smalle fietspad en begon aan de terugweg. Nu keek hij over het water, met de rivier mee, maar van de dikbuikige man in zijn scheepje was niets meer te bekennen. Zou hij al helemaal uit het zicht zijn, verdwenen aan de einder, of had hij ergens aangemeerd. 

Op een steiger stond een man te vissen. Pieter kende de man van gezicht en hij stopte wel eens om met de man een praatje te maken, maar met de dreigende weersomslag achter hem bleef het nu slechts bij een enkele groet. Pieter fietste door. Aan de overkant van de rivier was een uitspanning. Een gezellig café voor recreanten en een buurtbewoners. Daar lag het scheepje van de dikbuikige aan een aanlegsteiger. Hoorde Pieter nu de stem van de corpulente man uit het etablissement klinken? Pieter reed wat langzamer en luisterde goed. Warempel hij was het. In zijn fantasie zag Pieter de man diverse gasten op de schouders slaan met de uitspraak van 'het is toch maar mirakels mooi weer geworden’. Straks zal hij het moeten bezuren als eenmaal de bui is los gebarsten. Of zou hij, zich ondertussen volvretend, in het etablissement blijven tot de bui is over getrokken. Misschien overkwam dat hem telkens en waren de forse afmetingen van deze man de regen aan te rekenen. Pieter ging op de pedalen staan om er flink de gang er in te zetten. Twee zwanen gleden heel statig over het water.
De banden van zijn fiets zoefden over het asfalt. Daar in de verte zag hij twee jonge vrouwen. Ze liepen rustig langs de waterkant, ofschoon ze een snelle outfit aan hadden. Zij maakten deel uit van het sportieve deel van de bevolking. Zij die in hun gedrevenheid in looppas langs de paden pleegden te lopen, alles om zich heen vergetend, zodat Pieter meer dan eens zijn fietsbel moest gebruiken om ze te passeren. Maar nu liepen ze in een rustige tred. Hij was slechts nog een tiental meters van hen verwijderd en hij zag de mooie fragiele jonge lichamen. Licht voortbewegend als of ze het plaveisel amper aanraakten. 'Dat is de zin van het leven, hier draait het om', dacht Pieter. De liefde tussen mensen, mooie mensen. Nu passeerde hij de beide vrouwen en kon het niet nalaten hen vriendelijk te groeten. Zij groetten eveneens vriendelijk terug. Hij sloeg linksaf en liet de rivier achter zich. Bijna thuis, verzuchtte hij. Hij dacht aan zijn lieve vrouw waarmee hij al tientallen jaren samen leefde. Een relatie met vele hoogtepunten en een enkel dieptepunt, maar zeker een relatie die de zin van het leven dik onderstreepte.

 

Terug naar inhoud