|
|
Ergens
in de verte klonk het beieren van een kerkklok. Het weer was op deze zaterdagochtend
een stuk beter dan de dag en avond ervoor. Een flets najaar zonnetje scheen
door de met bonte herfstkleuren getooide boomkruinen. De klok beneden
in de hal was nu goed hoorbaar op hun kamer. De deur van hun slaapvertrek
stond namelijk een weinig open en men kon de tien slagen van de klok tellen.
Danil had het gevoel dat er is op hem zat. Hetgeen ook klopte. Luid spinnend
zat één van de poezen op zijn borst en keek hem meewarig
aan. De ander poes zat bij Timber aan het voeteneind. Er werd op de deur
geklopt en met een brede glimlach op het gelaat kwam Jitka binnen. Ze
droeg een groot dienblad met daar op een uitgebreid ontbijt. Geurende
croissants, toast en beschuiten, diverse soorten beleg, zowel zoet als
hartig, vruchtensap en een grote pot thee. "Goedemorgen, goed geslapen,"
zei ze, terwijl ze het dienblad op de ronde tafel neerzetten. "hé,
Toddek en Kardoef: vort naar beneden jullie, jullie laten de mensen nog
schrikken." Dit is volslagen krankzinnig zo een gastvrijheid. Ik durf nu al er op te wedden dat niemand, als we dit verhaal vertellen, ons zou geloven." "Laten we eerst maar hopen dat we weer gezond en wel thuis komen," sprak Timber, die ondertussen een croissant doorsneed en met boter besmeerde. Na het ontbijt fristen ze zich in de badkamer wat op en trokken hun kleding weer aan. Danil sloeg zijn arm om Timber heen en ze gingen op weg naar de keuken. Daar zouden ze Jitka en Jakub wel weer tegenkomen. Ze hoopten vurig dat één van beide het verlossende woord zou kunnen brengen dat de auto weer gerepareerd was. En dan snel naar huis. De geur van koffie kwam hen al tegemoet terwijl ze van de trap af liepen. Ze hoorden Jakub en Jitka in de keuken praten. "Goedemorgen," zeiden ze beiden in koor, toen ze de keuken binnenliepen. "Willen jullie nog een kopje koffie, zei Jitka vrolijk. Ik heb net met mijn broer Halâ gebeld en die zei mij dat de auto weer gemaakt was. De carburateur of zoiets." "Dat is fijn," zei Timber iets wat gehaast. Hoe eerder ze hier vandaan konden des te beter. "Jakub zal jullie na de koffie naar de garage brengen, vervolgde Jitka, melk en suiker?" Jakub rommelde wat aan het aanrecht en veegde met zijn lange armen de kattenharen van zijn colbert. "Ik zal de auto even voorrijden," zei hij en liep de keuken uit. Na nog wat over het weer, uit welke stad of dorp ze kwamen en dergelijke dingen gepraat te hebben stonden ze, nadat ze de koffie op hadden gedronken, op om naar de vestibule te gaan. De lichtinval van het daglicht in de hal was te opzichte van gisteren vriendelijk te noemen. Jitka liep hun beiden achterna om afscheid van hen te nemen. In de garderobe pakten ze hun jassen en trokken die vervolgens aan. Ondertussen had Jitka de grote massieve buitendeur geopend. Er stond een grote zwarte limousine geparkeerd. Het was meer zo'n wagen die als volgauto in een begrafenisstoet reed. Jakub stapte net uit en liep om de wagen heen om de portieren te openen. Danil en Timber zeiden Jitka vriendelijk gedag en bedankten voor de buitengewone gastvrijheid. Ze liepen de treden van het voorportaal af en stapten in. Bijna geruisloos reed de grote wagen over het grindpad en bij het hek aangekomen sloeg hij rechtsaf de weg op. Hier, even verderop, had hun auto gestaan. Danil keek nog even maar hij stond er echt niet meer. Na zo'n vijf minuten bereikten zij het dorp. Het was nog vrij rustig op straat. Jakub stuurde de limousine door het dorp om dan linksaf te slaan een zijstraat in. Daar was een garage gevestigd. Er liep een klein dik mannetje in een grijze stofjas, dat naar de wagen kwam toe gelopen. Jakub stopte de wagen en stapte uit. Weer klonk dat vreemde taaltje. Oost Europees of zo iets. Ook Danil en Timber stapten uit en het kleine dikke mannetje kwam naar hen toe gelopen."Goedemorgen, zei hij, de auto rijdt weer als een zonnetje, kijk daar staat hij." Halâ zocht in zijn jaszak en viste er de autosleutels uit op. "Alsjeblieft," zei hij tegen Danil, terwijl hij ze aan hem overhandigde. Weer spraken de mannen in dat vreemde taaltje. "Wat kost het," vroeg Danil. "Kom maar mee," zei Halâ. Het gehele gezelschap liep Halâ achterna de garage in. In het kantoortje haalde hij een met de hand geschreven rekening en gaf die aan Danil. "Dat valt me reuze mee," sprak Danil. Jakub en Halâ lachten vriendelijk. Danil betaalde. Beiden namen nu afscheid van de beide mannen en liepen de garage uit. Toen ze weer in hun eigen auto zaten liet Timber een zucht van verlichting. "Het is na dit vreemde avontuur een beetje thuiskomen, zei ze. Maar we moeten toch nog wel wat voor Jitka en Jakub kopen als dank voor hun ongewone onbaatzuchtigheid." "Is dat nou wel nodig," vroeg Danil. "Natuurlijk," zei ze resoluut. "Maar is het verstandig om weer bij die mensen langs te gaan, straks komen we er nooit meer vandaan," zei hij en startte de motor van hun auto. " We kopen wat gebak en een bos bloemen voor ze, geven dat even af en weg zijn we," zei Timber. "Ik help het je hopen," antwoordde hij. "We moeten wat terug doen voor die mensen, zei ze, we hebben waarschijnlijk gisteren hun biefstuk, die ze voor vandaag gekocht hadden, opgegeten." Danil stuurde de auto de weg op richting dorpskern. Daar parkeerde hij de auto en gingen zij naar de banketbakker en de bloemist. Op de
achterbank lag een doos gebakjes en er naast een mooi boeket van verschillende
soorten bloemen. Ze waren op de terugweg en zochten naar de ingang van
het landhuis waar ze een uur geleden van vertrokken waren. "Daar,
zei Timber, daar stond onze auto gisteravond, we moeten er nu zo zijn."
Danil minderde vaart en keek of hij het openstaande hek kon vinden. "Het
ziet er opeens heel anders uit," zei hij. Toch ontdekte hij tussen
het bruinrood van de in herfsttooi gestoken struiken en bomen de ingang
van het landhuis. Hij sloeg linksaf de oprijlaan op. "Wat is dat
hek in een erbarmelijke staat, het is helemaal overwoekerd met klimop,
zei Timber. Ik kan me niet meer voorstellen dat het er zo uitzag toen
we hier vanochtend weggingen." De auto hobbelde over de oprijlaan
en Danil keek Timber verwonderd aan. "Ik heb helemaal niet gemerkt
dat deze weg zo slecht was," concludeerde hij. Nu kwam het koetshuis
inzicht. Danil stopte de auto. "Wat is dit," zei hij verbaasd.
Het dak van het koetshuis was ingezakt en de lantaren, die zij gisteren
hadden opgemerkt en hun de weg naar dit huis wees, bestond slechts uit
een armtierig pijpje waar een snoertje uitstak. Diezelfde middag nog kocht Danil in een winkel voor geluidsapparatuur en televisies zo'n handig mobiel telefoontje. Thuisgekomen las hij de gebruiksaanwijzing en zocht het telefoonnummer van de wegenwacht en sloeg het op in het geheugen van het mobieltje. Gastvrijheid en onbaatzuchtigheid is mooi, maar men moet niet overdrijven. Het gaat overigens weer goed met Danil en Timber. En mochten jullie ooit bij een ruïne staan en er staat een doos beschimmeld gebak met er naast een bos verdroogde bloemen en een paraplu, denk dan nog maar eens aan Jitka, Jakub en de twee poezen. |
|
|