Het zal je maar gebeuren - deel 1

(een griezelverhaal)

We klagen tegenwoordig nog wel eens dat onze maatschappij zo individualistisch ingesteld is. Maar zouden we wel zo gelukkig zijn als dat niet zo zou zijn en iedereen voor elkaar klaar stond. Zouden we dat toch niet als heel vreemd ervaren en het een beknotting van onze vrijheid vinden. Lees het volgend verhaal.

Schokkend en stotend kwam de auto tot stilstand. Danil en Timber waren op visite geweest bij goede vrienden die ze enkele jaren geleden op een vakantie hadden leren kennen. Ze waren er vrijdagsmiddags aangekomen en na een heerlijke maaltijd en koffie gedronken te hebben, met een aperitief, waren ze nu op weg naar huis. Danil en Timber waren zo'n ongeveer een half uur op de terugreis toen de motor van hun auto het begaf. Ondanks herhaald starten kwam er geen leven meer onder de motorkap. "Wel verdraaid,"zei Danil en gaf een zinloze klap tegen het stuur.
Druilerige regen liep in straaltjes over de voorruit van de auto. Het liep tegen tienen op deze, wat zij nog niet wisten, bijzondere avond in november. "We moeten de wegenwacht maar bellen al weet ik mijn God niet waar we zijn," zei Danil. De auto had hij in de berm tot stilstand laten komen tussen twee bomen in.
Het was een schaarsverlichte weg in een bosrijke omgeving. "We moeten maar een huis of een boerderij zien te vinden, zei Timber. Daar kunnen we de wegenwacht bellen en de mensen die daar wonen weten vast wel hoe het hier heet en waar we zijn." "Moeten we nu echt mensen lastig gaan vallen om deze tijd,"vroeg Danil met een zucht. "Ik vrees van wel Danil," zei ze zacht. Beiden stapten uit en Danil opende de kofferbak van de wagen om er een paraplu uit te halen, ontvouwde deze en vroeg," welke kant zullen we op gaan?" "Ik meen dat ik iets terug iets van een lichtje zag," antwoordde Timber.

Ondertussen sloot Danil de wagen af. Met enige tegenzin liep hij achter Timber aan op zoek naar een huis met een telefoon. "Wacht even," riep hij "je wordt helemaal nat van die motregen." Samen liepen ze naast elkaar onder de paraplu de weg terug. Na een paar honderd meter gelopen te hebben zagen zij door het struikgewas heen een klein flauw lichtje branden. Er was een groot smeedijzeren hek waarvan de beide delen, die toegang gaven tot de oprijlaan, open stonden. "Dat is vast een landhuis of zoiets, zei Danil die mensen ga ik toch echt niet lastig vallen." "Onzin, sprak Timber luid dit is geen weer om rustig te gaan zoeken naar een vriendelijke bejaardenwoning of zoiets. Kom we gaan er gewoon op af, daar zullen toch ook wel aardige mensen wonen."
Het grind van de oprijlaan knisperde onder hun voeten. Het werd er allemaal niet beter op. Er stak een koude dunne wind op die hun beiden deed huiveren. De bomenrij, van eeuwen oude bomen, aan beide zijden van de oprijlaan liet zijn kruinen met de wind mee bewegen. De bladeren ritselden en een enkele bladeren dwarrelden in de wind naar beneden.

Nu werd het silhouet van het vrij grote huis zichtbaar tegen een donkere hemel. Aan de rechterzijde ervan was het koetshuis met boven de ingang een lantaren die net voldoende licht verspreidde. Dat was het licht dat ze gezien hadden toen ze nog op de weg liepen. "Zullen we maar weer terug gaan, zei Timber enigszins beschaamd, ik vind het toch niet zo'n goed idee." "Laten we eerst maar eens kijken of er iemand thuis is, sprak Danil moedig. We zijn zo weer weg en dan wachten we bij de auto op de wegenwacht." Ze liepen de trap van het voorportaal op. Een trede of acht. Dan stonden ze voor een grote massief houten deur. Danil zocht naar de bel en vond deze uitgevoerd als een ijzeren stang met een oog aan het einde dat als handvat diende. Hij trok er aan en ergens diep in het huis klingelde een bel. Het bleef stil. "Ik vrees dat er niemand thuis is, zei Danil. Zal ik nog eens bellen," vroeg hij aan Timber. Zij antwoordde slechts met "ben je gek, laten we weg gaan."
Toen verscheen er een vaal groenachtig licht door raam boven de imposante deur. Er klonk geluid van grendels die opengeschoven werden. Met een zacht gekraak ging de deur, voor een deel, langzaam open. Daar stond een lange magere grijze man geheel in het zwart gekleed. Timber viel gelijk zijn handen op. Dunne lange, maar toch sierlijke vingers, die de openstaande deur omvatten. Sprakeloos keken zij de man aan. Zijn ogen keken hen indringend aan, met een blik van. Ja, wat voor een blik? "Goedenavond, sprak de man zacht, kan ik iets voor jullie betekenen?" Timber stootte Danil aan. "Eh, ja, zei Danil, goedenavond. Onze auto heeft pech en nu wilde ik U vragen of wij misschien de wegenwacht mogen bellen." "Dat zou mogelijk kunnen zijn, zei de man, maar waarom komen jullie niet binnen. Het is beestachtig weer en hier binnen brandt de kachel." Hij opende de deur nu in zijn geheel, waarna de vestibule zichtbaar werd. In het midden van het plafond was een hanglamp aangebracht met om de gloeilamp een vierkant van groene glazen platen, wat het groene diffuse licht veroorzaakte. Het gezicht van de lange slanke man werd er door groengekleurd, evenals de gezichten van Timber en Danil. "Dat is heel aardig van U, zei Timber met een benepen stemmetje, maar dat is niet nodig. We willen graag onze weg naar huis vervolgen." "Onzin, sprak de man, kom toch binnen. Ik zal me even voorstellen, mijn naam is Jakub." "Danil Verminnen en dat is mijn vrouw Timber," zei Danil beleefd.

Nu betraden zij het huis, waarna Jakub de deur achter hen sloot en de grendels weer terugschoof. "Kan ik jullie jas aannemen, zei Jakub beleefd. En geeft U mijn de paraplu maar." Danil en Timber voelden zich echter niet erg op hun gemak toen zij hun jassen afgaven. Jakub bracht de jassen naar een zijvertrek die als garderobe dienst deed. Daar hing hij ze aan een kledinghanger, die hij daarna met jas en al ophing. De paraplu zette hij in de daar aanwezige paraplubak. "Die zijn later wel opgedroogd," zei hij. Willen jullie mij maar volgen. Vanuit de vestibule kwamen ze in een vrij grote hal die verlicht werd door twee kandelaars die aan beide zijden van de hal stonden opgesteld. Aan de linkerkant was er een brede trap die met fraai houtsnijwerk was uitgevoerd, naar boven. Aan de wanden van de hal waren forse schilderijen opgehangen. Daarop waren portretten geschilderd. Waarschijnlijk afbeeldingen van reeds overleden bewoners van het huis. Door het weinige licht dat van de kandelaars kwam zag alles er enigszins naargeestig uit. Een beetje spookachtig.
Danil en Timber keken elkaar aan. Haar ogen stonden angstig en die van hem bezorgd. Aan de rechterkant van de hal was een deur die open stond. Een brede reep licht viel vanuit de deuropening de hal binnen. Jakub ging naar binnen gevolgd door Danil en Timber. Het was de keuken, maar dan één van forse afmeting. Aan de rechterzijde was een groot houtgestookt fornuis geplaatst. Daarboven was een schitterend uitgevoerde schouw. Daarnaast een imposant aanrecht met boven de gootsteen twee koperen kranen. In het midden van de keuken stond een ruime tafel met wel acht stoelen er omheen geplaatst. Boven de tafel hingen twee eenvoudige lampen die een bescheiden licht afgaven. Daar aan één van de hoeken van de tafel zat een vrij forse vrouw. Rondborstig mag je wel zeggen en ze had kort haar. Ze rookte een sigaret en voor haar stond een schuimend biertje. "Jitka, zei Jakub tegen haar, we hebben vanavond twee gasten. Mag ik je even voorstellen aan Danil en Timber Verminnen." De vrouw legde haar sigaret in de asbak en stond op. Liep naar de twee toe en gaf ze een hand. "Jitka, aangenaam," zei ze op een vriendelijke toon. Jakub vervolgde met "ze hebben pech met hun auto en vroegen of ze de wegenwacht mochten bellen." "Dat is helemaal niet nodig," zei Jitka. Nu brak bij Danil en Timber het angstzweet uit. Waar waren ze terecht gekomen. Wat ging er gebeuren en kwamen ze er ooit nog levend hier vandaan.
"Mijn broer Halâ heeft een garage hier in het dorp" zei Jitka. "we zullen hem bellen en vragen of hij hier de sleutels van jullie auto komt op halen. Dan zal hij de auto wel naar de garage slepen om hem te herstellen. Met een beetje geluk is hij dan in de loop van de volgende dag klaar." "Dat is toch helemaal niet nodig,"sprak Timber met een lichte beving in haar stem. En waar moeten wij dan overnachten?" Dat had ze beter niet kunnen vragen. "Maar jullie blijven toch hier overnachten, zei Jitka. Kom gaan jullie nu maar aan de tafel zitten dan schenk ik wat te drinken voor jullie in."

Jakub pakte de hoorn van de telefoon, die aan de muur bevestigd was. Het was een oud model in zwart uitgevoerd met een metalen draaischijf. Hij draaide het nummer van Halâ en toen hij verbinding had mompelde hij wat. Het was onverstaanbaar, waarschijnlijk in een of andere buitenlandse taal. Dan vroeg hij aan Danil,"wat is het kenteken van de auto?" Danil gaf het hem. Ook het uitspreken van het kenteken, wat hij aan Halâ doorgaf, was niet terug te herleiden. Er klonk vanuit de hal een klokslag. Half elf. "Wat kan ik voor jullie inschenken," vroeg Jitka. "Ik lust wel een biertje," zei Danil, die van deze vreemde avond een behoorlijk droge keel had gekregen. "Jij bent meer een wijntypje, zei Jitka tegen Timber. Rood of wit?" "Rood graag," antwoordde Timber enigszins verwonderd. Jitka schonk het gevraagde in en ging weer op haar plaats aan de tafel zitten. De regen sloeg met vlagen tegen de ramen van de keuken. Het weer was er alleen maar slechter op geworden. Ook Jakub was aan de tafel gaan zitten. "Wonen er nog meer mensen in dit huis," vroeg Danil. "Nee, zei Jitka, al jaren niet meer. Hier woonden de Baron en de Barones Savile-Hamilton. De barones is zeker al tien jaar dood. Ze is op een avond, stomdronken, van de trap naar beneden gevallen. Daar bij heeft ze haar nek gebroken, ze moet op slag dood geweest zijn. En de baron, ach ja de baron, die is aan helse pijnen op een avond zoals deze, met storm en zware regen, gestorven. De dokter was al onderweg maar kwam voor de arme baron te laat." Dit verhaal kwam niet bepaald te goede aan de stemming van de beide echtelieden. Weer brak bij Danil het angstzweet uit en ook Timber trok wit weg.

Er kwamen twee poezen de keuken binnen gelopen en Jitka zei tegen hen,"hebben jullie honger gekregen?" Ze stond op en liep naar de koelkast, die zijn beste jaren ook wel gehad had. Haalde er een bakje uit en vulde met de inhoud ervan twee etensbakjes van de poezen. "Kom maar hier jullie, zei ze en riep hun naam, Toddek, Kardoef." Gulzig begonnen de poezen hun bakjes leeg te eten. Jitka was weer aan tafel gaan zitten en stak een sigaret op. De bel ging in de hal. Jakub stond op en vroeg aan Danil de autosleutels met de opmerking dat het Halâ wel zou wezen. Danil gaf ze aan Jakub af die vervolgens de hal in liep om de voordeur te openen. Een paar minuten later keerde hij weer terug en ging bij het raam in de keuken staan. Hij keek naar buiten en zei,"wat een weer". "Willen jullie misschien nog wat eten," vroeg Jitka aan Danil en Timber. Beiden schudden het hoofd, maar ondanks dat beval Jitka Jakub twee biefstukjes uit de koelkast te halen en deze even te bakken. Jakub zette de koekenpan op het fornuis en deed er een flinke klont boter in. Terwijl de boter smolt pakte hij uit een kast twee borden en bestek. Uit een andere kast haalde hij een half boerenbrood met een snijplank en bijbehorend mes en gaf deze aan Jitka. Zij sneed er twee dikke plakken van af die zij rijkelijk met boter besmeerde. Met verbaasde ogen sloegen Danil en Timber het geheel gade. Nu siste de biefstukken in de pan en werden aan beide kanten dichtgeschroeid en daarna op smaak gemaakt met zout en peper. Weldra zaten zij beiden met een bord, gevuld met brood en biefstuk, voor zich, te eten. Hoewel ze eerst geen trek leken te hebben smaakte het geheel allemachtig lekker. Bijna bovennatuurlijk lekker. Ondertussen had Jakub de glazen weer gevuld en nam zelf een jenever. Na nog een paar glaasjes zei Jakub,"ik zal jullie je kamer even wijzen." Hij stond op, zo ook Danil en Timber. Ze bedankten Jitka en Jakub voor het heerlijk eten en de gastvrijheid waarvan ze mochten genieten. Hierna liep het drietal de hal in om via de trap op de eerste verdieping te arriveren.

De traptreden kraakten onder hun voeten. Was dit de trap waar de Barones van afgevallen was, vroeg Timber zich af. Uitermate smakeloos om zo aan je eind te komen. Bovenaan de trap ging het gezelschap linksaf en sloeg een lange gang in. Aan de muren hingen aan beide zijden armaturen die eveneens een bescheiden licht verspreiden. Er stond een kamerdeur open en Jakub trad binnen, gebarend dat de anderen hem moesten volgen. "Dit is jullie slaapkamer voor vannacht," zei hij, terwijl hij het licht aanklikte. Het was een ruime kamer met middenin een groot bed. Aan de kant stond een antieke kledingkast en aan het voeteneind van het bed een ronde tafel met twee stoelen. Jakub liep naar een deur naast het bed, opende deze en een antieke badkamer werd zichtbaar. Er stond een metalen ligbad in, op pootjes, met fraaie kranen. Aan de wand was een wastafel en in de hoek een wc met houten bril, waarvan de stortbak hoog aan de muur bevestigd was. Hij was met de wc verbonden door middel van een valpijp en door aan een ketting te trekken kon men doortrekken.
Maar het meest merkwaardige was dat er een paar handdoeken en een paar badlakens klaarhingen. Ook lag er op de planchet boven de wastafel een stuk zeep en twee tandenborstels die in folie verpakt waren. Wisten ze van hun komst, vroeg Danil zich af, of lagen al die spullen voor toevallige bezoekers al klaar. Jakub liep in de slaapkamer naar het raam en opende dit een klein stukje. "De lucht is hier zuiver en fris," zei hij en sloot de zware gordijnen. Buiten regende het gestaag door. "Mag ik jullie een goede nachtrust toewensen," sprak hij en verdween weer de gang in, de deur achter zich sluitend.

De klok in de hal beneden sloeg twaalf. "Ik doe hier geen oog dicht," zei Timber. "Dat was ik ook niet van plan," zei Danil. Toch poetsten zij hun tanden en trokken hun bovenkleding uit en hingen deze in de antieke kledingkast. Timber sloeg het bed open en zei, "zo, satijnen lakens, wat een luxe." Ze stapten allebei in het bed, maar namen zich voor wakker te blijven en lieten één van de twee bedlampjes branden. Na enkele minuten waren ze, ondanks dat ze dat niet wilden, in een diepe slaap gevallen. Zou er wat in de biefstuk hebben gezeten of in het brood? Of had Jakub of Jitka stiekem wat in hun glazen gedaan? Wie zal het zeggen...

vervolg deel 2

Terug naar inhoud