|
|
We
klagen tegenwoordig nog wel eens dat onze maatschappij zo individualistisch
ingesteld is. Maar zouden we wel zo gelukkig zijn als dat niet zo zou
zijn en iedereen voor elkaar klaar stond. Zouden we dat toch niet als
heel vreemd ervaren en het een beknotting van onze vrijheid vinden. Lees
het volgend verhaal. Ondertussen
sloot Danil de wagen af. Met enige tegenzin liep hij achter Timber aan
op zoek naar een huis met een telefoon. "Wacht even," riep hij
"je wordt helemaal nat van die motregen." Samen liepen ze naast
elkaar onder de paraplu de weg terug. Na een paar honderd meter gelopen
te hebben zagen zij door het struikgewas heen een klein flauw lichtje
branden. Er was een groot smeedijzeren hek waarvan de beide delen, die
toegang gaven tot de oprijlaan, open stonden. "Dat is vast een landhuis
of zoiets, zei Danil die mensen ga ik toch echt niet lastig vallen."
"Onzin, sprak Timber luid dit is geen weer om rustig te gaan zoeken
naar een vriendelijke bejaardenwoning of zoiets. Kom we gaan er gewoon
op af, daar zullen toch ook wel aardige mensen wonen." Nu werd
het silhouet van het vrij grote huis zichtbaar tegen een donkere hemel.
Aan de rechterzijde ervan was het koetshuis met boven de ingang een lantaren
die net voldoende licht verspreidde. Dat was het licht dat ze gezien hadden
toen ze nog op de weg liepen. "Zullen we maar weer terug gaan, zei
Timber enigszins beschaamd, ik vind het toch niet zo'n goed idee."
"Laten we eerst maar eens kijken of er iemand thuis is, sprak Danil
moedig. We zijn zo weer weg en dan wachten we bij de auto op de wegenwacht."
Ze liepen de trap van het voorportaal op. Een trede of acht. Dan stonden
ze voor een grote massief houten deur. Danil zocht naar de bel en vond
deze uitgevoerd als een ijzeren stang met een oog aan het einde dat als
handvat diende. Hij trok er aan en ergens diep in het huis klingelde een
bel. Het bleef stil. "Ik vrees dat er niemand thuis is, zei Danil.
Zal ik nog eens bellen," vroeg hij aan Timber. Zij antwoordde slechts
met "ben je gek, laten we weg gaan." Nu betraden
zij het huis, waarna Jakub de deur achter hen sloot en de grendels weer
terugschoof. "Kan ik jullie jas aannemen, zei Jakub beleefd. En geeft
U mijn de paraplu maar." Danil en Timber voelden zich echter niet
erg op hun gemak toen zij hun jassen afgaven. Jakub bracht de jassen naar
een zijvertrek die als garderobe dienst deed. Daar hing hij ze aan een
kledinghanger, die hij daarna met jas en al ophing. De paraplu zette hij
in de daar aanwezige paraplubak. "Die zijn later wel opgedroogd,"
zei hij. Willen jullie mij maar volgen. Vanuit de vestibule kwamen ze
in een vrij grote hal die verlicht werd door twee kandelaars die aan beide
zijden van de hal stonden opgesteld. Aan de linkerkant was er een brede
trap die met fraai houtsnijwerk was uitgevoerd, naar boven. Aan de wanden
van de hal waren forse schilderijen opgehangen. Daarop waren portretten
geschilderd. Waarschijnlijk afbeeldingen van reeds overleden bewoners
van het huis. Door het weinige licht dat van de kandelaars kwam zag alles
er enigszins naargeestig uit. Een beetje spookachtig. Jakub pakte de hoorn van de telefoon, die aan de muur bevestigd was. Het was een oud model in zwart uitgevoerd met een metalen draaischijf. Hij draaide het nummer van Halâ en toen hij verbinding had mompelde hij wat. Het was onverstaanbaar, waarschijnlijk in een of andere buitenlandse taal. Dan vroeg hij aan Danil,"wat is het kenteken van de auto?" Danil gaf het hem. Ook het uitspreken van het kenteken, wat hij aan Halâ doorgaf, was niet terug te herleiden. Er klonk vanuit de hal een klokslag. Half elf. "Wat kan ik voor jullie inschenken," vroeg Jitka. "Ik lust wel een biertje," zei Danil, die van deze vreemde avond een behoorlijk droge keel had gekregen. "Jij bent meer een wijntypje, zei Jitka tegen Timber. Rood of wit?" "Rood graag," antwoordde Timber enigszins verwonderd. Jitka schonk het gevraagde in en ging weer op haar plaats aan de tafel zitten. De regen sloeg met vlagen tegen de ramen van de keuken. Het weer was er alleen maar slechter op geworden. Ook Jakub was aan de tafel gaan zitten. "Wonen er nog meer mensen in dit huis," vroeg Danil. "Nee, zei Jitka, al jaren niet meer. Hier woonden de Baron en de Barones Savile-Hamilton. De barones is zeker al tien jaar dood. Ze is op een avond, stomdronken, van de trap naar beneden gevallen. Daar bij heeft ze haar nek gebroken, ze moet op slag dood geweest zijn. En de baron, ach ja de baron, die is aan helse pijnen op een avond zoals deze, met storm en zware regen, gestorven. De dokter was al onderweg maar kwam voor de arme baron te laat." Dit verhaal kwam niet bepaald te goede aan de stemming van de beide echtelieden. Weer brak bij Danil het angstzweet uit en ook Timber trok wit weg. Er kwamen twee poezen de keuken binnen gelopen en Jitka zei tegen hen,"hebben jullie honger gekregen?" Ze stond op en liep naar de koelkast, die zijn beste jaren ook wel gehad had. Haalde er een bakje uit en vulde met de inhoud ervan twee etensbakjes van de poezen. "Kom maar hier jullie, zei ze en riep hun naam, Toddek, Kardoef." Gulzig begonnen de poezen hun bakjes leeg te eten. Jitka was weer aan tafel gaan zitten en stak een sigaret op. De bel ging in de hal. Jakub stond op en vroeg aan Danil de autosleutels met de opmerking dat het Halâ wel zou wezen. Danil gaf ze aan Jakub af die vervolgens de hal in liep om de voordeur te openen. Een paar minuten later keerde hij weer terug en ging bij het raam in de keuken staan. Hij keek naar buiten en zei,"wat een weer". "Willen jullie misschien nog wat eten," vroeg Jitka aan Danil en Timber. Beiden schudden het hoofd, maar ondanks dat beval Jitka Jakub twee biefstukjes uit de koelkast te halen en deze even te bakken. Jakub zette de koekenpan op het fornuis en deed er een flinke klont boter in. Terwijl de boter smolt pakte hij uit een kast twee borden en bestek. Uit een andere kast haalde hij een half boerenbrood met een snijplank en bijbehorend mes en gaf deze aan Jitka. Zij sneed er twee dikke plakken van af die zij rijkelijk met boter besmeerde. Met verbaasde ogen sloegen Danil en Timber het geheel gade. Nu siste de biefstukken in de pan en werden aan beide kanten dichtgeschroeid en daarna op smaak gemaakt met zout en peper. Weldra zaten zij beiden met een bord, gevuld met brood en biefstuk, voor zich, te eten. Hoewel ze eerst geen trek leken te hebben smaakte het geheel allemachtig lekker. Bijna bovennatuurlijk lekker. Ondertussen had Jakub de glazen weer gevuld en nam zelf een jenever. Na nog een paar glaasjes zei Jakub,"ik zal jullie je kamer even wijzen." Hij stond op, zo ook Danil en Timber. Ze bedankten Jitka en Jakub voor het heerlijk eten en de gastvrijheid waarvan ze mochten genieten. Hierna liep het drietal de hal in om via de trap op de eerste verdieping te arriveren. De traptreden
kraakten onder hun voeten. Was dit de trap waar de Barones van afgevallen
was, vroeg Timber zich af. Uitermate smakeloos om zo aan je eind te komen.
Bovenaan de trap ging het gezelschap linksaf en sloeg een lange gang in.
Aan de muren hingen aan beide zijden armaturen die eveneens een bescheiden
licht verspreiden. Er stond een kamerdeur open en Jakub trad binnen, gebarend
dat de anderen hem moesten volgen. "Dit is jullie slaapkamer voor
vannacht," zei hij, terwijl hij het licht aanklikte. Het was een
ruime kamer met middenin een groot bed. Aan de kant stond een antieke
kledingkast en aan het voeteneind van het bed een ronde tafel met twee
stoelen. Jakub liep naar een deur naast het bed, opende deze en een antieke
badkamer werd zichtbaar. Er stond een metalen ligbad in, op pootjes, met
fraaie kranen. Aan de wand was een wastafel en in de hoek een wc met houten
bril, waarvan de stortbak hoog aan de muur bevestigd was. Hij was met
de wc verbonden door middel van een valpijp en door aan een ketting te
trekken kon men doortrekken. De klok in de hal beneden sloeg twaalf. "Ik doe hier geen oog dicht," zei Timber. "Dat was ik ook niet van plan," zei Danil. Toch poetsten zij hun tanden en trokken hun bovenkleding uit en hingen deze in de antieke kledingkast. Timber sloeg het bed open en zei, "zo, satijnen lakens, wat een luxe." Ze stapten allebei in het bed, maar namen zich voor wakker te blijven en lieten één van de twee bedlampjes branden. Na enkele minuten waren ze, ondanks dat ze dat niet wilden, in een diepe slaap gevallen. Zou er wat in de biefstuk hebben gezeten of in het brood? Of had Jakub of Jitka stiekem wat in hun glazen gedaan? Wie zal het zeggen... |
|
|