Mijn
schoonouders en de ouwe
Mijn schoonouders
woonden in, naar wat ik altijd noemde, een poppenhuisje.
Het was een kleine galerijwoning op de eerste verdieping.
Ondanks dat de woning klein was, hebben ze daar hun twee dochters opgevoed
en grootgebracht.
In die tijd was de woning voor hen ook groot genoeg, vonden zij.
Eén van deze dochters, dat zal de lezer wel begrijpen, is al weer
vele jaren mijn vrouw.
Al vroeg in hun huwelijk was hij er.
Het was een stille vernoot die een klein optrekje had naast de keuken.
Toen de kinderen nog klein waren was hij een genode gast, hij hielp als
het ware mee in het draaiend houden van het huisgezin.
Hij zorgde er voor dat iedereen netjes het huis verliet, als men naar
school en kantoor ging.
Maar de kinderen werden groot en na elkaar verlieten ze het warme nest,
waar het al die jaren goed toeven was geweest.
Hij was nu niet meer zo vaak nodig als in die beginperiode, maar hij bleef
zijn mannetje staan en heeft mijn beide schoonouders nooit teleurgesteld.
Hij was beslist ook niet veeleisend.
Zo eens per jaar trok hij een nieuwe outfit aan, en dan hij zag er weer
onberispelijk en keurig uit.
De jaren gingen voorbij en dat was hem ook niet onopgemerkt gebleven.
Zo eens per week gleed er een warme hand over zijn al wat oudere rug,
hetgeen hij heel plezierig vond.
Hij werd wat wiebeliger in de benen, hoewel hij in de gewrichten toch
nog erg soepel bleef.
Maar toch, hij werd te oud. Jawel de oudjes doen het nog best, maar naar
al die jaren...
Mijn schoonouders hadden het er beslist niet makkelijk mee.
Je kan hem toch niet zomaar op straat zetten, zei mijn schoonmoeder.
Hem zomaar weg doen zonder te weten dat hij ergens een goed onderkomen
heeft gevonden, nee dat doet een beschaafd mens niet, sprak mijn schoonvader.
Hij heeft recht dat hij zijn laatste jaren in een rustige omgeving kan
doorbrengen.
Na vele onrustige nachten van overpeinzing kwamen ze er maar niet uit,
wat moesten ze toch met die ouwe aan.
Misschien dat onze schoonzoon Jan iets weet, zeiden ze radeloos. En dan
moet je wel radeloos zijn natuurlijk.
Aangezien ik op dit gebied niet zo emotioneel ben aan gelegd, wist ik
wel een oplossing naar ieders tevredenheid.
Nadat ik een telefoontje gepleegd had, belde ik mijn schoonvader op met
de mededeling dat ik een adresje voor hem had gevonden, maar ze moesten
hem er zelf naar toe brengen.
Ze hebben dat dan maar gedaan.
Met een traan in hun ogen namen zij afscheid van die kranige ouwe die,
en dat mag je wel stellen, uit het goede hout gesneden was.
Enkele dagen later stond er bij mijn schoonouders thuis weer één
.
Hij was jong en krachtig. Het was er zo één die sterk op
zijn poten stond.
Een prachtige in wit gespoten stalen jongen; de nieuwe strijkplank.
Voor ik het vergeet te vertellen, de oude houten strijkplank maakt momenteel
onderdeel uit van de collectie van het Historisch Museum in mijn woonplaats.
|