| |
Muzikaliteit
Om van
al het gedonder af te zijn, zei mijn vader dat de gehele familie Kortland
a-muzikaal was. Geen van mijn broers noch ik konden dus zeuren om een
gitaar of een ander instrument te verwerven, om ooit die grote artiest
te worden waar we van droomden.
Nee, wij zouden geen beroemd en gevierd muzikant worden die, in het land
op de bühne van bekende theaters, aanbeden zouden worden door mooie
meisjes die bij het zien van onze verschijning in katzwijm zouden vallen.
Ergens begrepen wij dat ook wel, omdat in een huis bij ons achter, op
een zomerse dag met de ramen open gerepeteerd werd op een trekharmonika.
De trekharmonika, de piano voor de minderbedeelden. Ach Heer, waren er
maar nooit arme mensen geweest.
Telkens weer werd hetzelfde nummer ingezet, om dan in een wirwar van noten
te struikelen enige driekwartsmaten verder. Om over die ellendige toonladders
maar te zwijgen.
Ondanks de a-muzikaliteit van de familie, zongen mijn ouders tijdens de
afwas. Ik moet toegeven het klonk niet slecht, maar zingen tijdens de
afwas hoe verzin je het. Mijn generatie heeft dat nooit begrepen, en daarom
is de afwasmachine uitgevonden. Zingen bij een afwasmachine, nee, dat
gaat lekker niet. Het apparaat kan geen wijs houden en ritmisch is hij
al helemaal niet. Hij zoemt, zuigt, borrelt en spettert alleen maar.
Ons gezin woonde, in Den Haag, tweehoog op een portiekwoning. Op de eerste
verdieping woonde de familie de Koning. Meneer de Koning was muziekpedagoog
en gaf pianoles en zangonderricht.
Dat hebben wij geweten, iedere
vrijdagavond kwamen een aantal dames om zich in de zangkunst te laten
scholen. De
dames zongen uit volle borst, wat niet alleen de lucht van de beneden
gelegen etage in beweging bracht, maar via de vloer van ons huis door
resoneerde, waarna ons huis gevuld werd met een akelige vorm van kattengejammer.
Ondanks dat het kinderbedtijd was; ik was een jaar of acht en we moesten
toen nog op zaterdagmorgen naar school, wat ik knap waardeloos vond, was
het onmogelijk om bij dergelijke hoge en messcherpe decibellen, in slaap
te vallen. Zij zongen in een amateur operettevereniging, de Hofstad operette,
die eens per jaar een voorstelling gaf. Het waren de dames van het koor
die aan Wiener Blut of Die Fledermaus, gecomponeerd door de ontsterfelijke
Strauss, enig cachet moesten geven. Ze deden hun best en in gedachten
waren ze Maria Callas of Joan Sutherland.
Meneer de Koning, een klein mannetje met een bochel, zat daar achter de
piano omgeven door het dameskoor wat hoofdzakelijk uit rondborstige vrouwen
bestond.
Hij trachtte de liederen van profane aard zo zuiver mogelijk uit de niet
meer zo fluwelen keeltjes van het koor te krijgen.
De dames zaten wel eens een octaaf te laag of de intonatie was niet correct,
maar zij zongen met passie. Wein, Weib und Gesang.
Als men dan een poosje bezig was geweest, kwam mevrouw de Koning met vers
gezette koffie binnen om de keeltjes van de dames te smeren.
Allen zetten zich op de aanwezige stoeltjes neer om de koffie te laten
smaken. Spoedig raakte men in gesprek, wat meestal de laatste roddels
waren.
Hoe groter iemands ellende was, hoe leuker zij dat vonden. Heb je het
gehoord van Bep, die met die rare hoedjes, zei Lies. Ja, zei An, die Bep
die met die charmeur getrouwd is, hoe heet hij ook alweer. Koos, sprak
Truus. Ja, vulde An aan, Koos, hij heeft een ander hé. Het verbaast
me niets, hij heeft het ook bij mij geprobeerd, antwoordde Kaatje en vervolgde,
maar ik hoef die griezel niet.
Als het mijn man was geweest, zei Lies, dan had ik gewacht tot we naar
bed gingen en hij zijn kleren had uitgetrokken en dan had ik hem zo in
zijn blote kont de deur uit gegooid. An, die nog al een grote fantasie
had zag het een en ander al voor zich, ik zie Koos daar al lopen met zijn
handen voor zijn kruis, sprak ze.
Nou, dat kan hij ook wel laten, zei Truus, veel bijzonders zal daar niet
hangen. Hoe weet je dat Truus, zegt Kaatje en barste vervolgens in lachen
uit en roept, staat ie bij Bep voor de deur, Bep, Beppie doe eens open,
hij wordt zo klein. De dames gieren het uit, als een sirene, maar dan
van de brandweer, gaat het geluid door onze verdieping heen en stijgt
hoog boven ons platte dak uit. Meid, ik hou het niet meer, sprak Truus,
ik plas in mijn broek.
Arme
meneer de Koning, hoe kreeg hij zijn koor weer in het gareel? Dames, dames
toe over een maand is daar de uitvoering, we moeten nog veel repeteren.
Het was nu dringen geblazen voor de w.c., alle dames stonden op klappen.
Ja, hoe kreeg meneer de Koning de zo nodige rust weer in de tent, hoe
kalmeerde je de sisters of blues, the ladys of soul.
Hun jurkjes rechttrekkend kwam het gezelschap weer de kamer binnen en
namen hun bladmuziek weer ter hand. Nog een enkele oprisping van één
van de dames en de rust was weergekeerd. De ruimte werd weer gevuld met
het meerstemmig kattengejammer. Tegen een uur of halfelf was de repetitie
afgelopen en keerden de dames luid pratend huiswaarts. Het was dan heerlijk
stil geworden en ik kon mij dan ook overgeven aan een genadige nachtrust.
Laatst raakte ik in gesprek met een muziekliefhebber die de uitvoering
van de alt Marian Anderson in de operette Orphée aux enfers, van
de componist Offenbach, zo bijzonder vond. Ik moest hem teleurstellen,
van operette geen verstand, ik heb dat in mijn jeugd niet meegekregen.
|