Een koude kerst

Den Haag 25 december 1961

Het is alweer heel wat jaartjes geleden.
Ik woonde toen op een doorgaande winkelstraat in een portiekwoning aan de rand van Den Haag met mijn vader, moeder en mijn twee oudere broers. Wij woonden tweehoog wat inhoudt dat je vanaf de straat bezien eerst een stenen trap op moest om dan op een stenen overloop te komen waar vier voordeuren zaten. De deuren links en rechts waren van de eerste etage, de beide middelste deuren voerden elk naar een halletje met een trap, dus een trap in de woning zelf, naar boven.

Het moet zo ongeveer een uur of drie in de middag geweest zijn.
Het kerstdiner hadden we al genuttigd, konijn, want met Kerst at men konijn.
Mijn moeder had de dag ervoor bij de poelier zo’n kerstkonijn gekocht. Toentertijd was het heel normaal dat de gevilde konijnen aan hun achterpootjes in de etalage van de poelier hingen met hun kop er nog aan
Je kocht hem dus ook met kop en al, zodat de clientèle er verzekerd van kon zijn dat het, zoals men dat in Utrecht noemt, geen dakhaas was, ofwel een kat.
Daar zaten wij dan met zijn allen in de woonkamer, ook de vriendin van mijn oudste broer Jaap die tegenwoordig al vele jaren als mijn schoonzuster Marieke door het leven gaat en die ook voor het kerstdiner geïnviteerd was.
De oliehaard knorde en straalde zijn warmte de kamer in. Hoe knus, hoe gezellig, want de kerstviering bij ons thuis was reuze gezellig, allemachtig wat gezellig.
Mijn moeder kwam met een dienblad vol kopjes dampende thee en een schaaltje gevuld met fondant en chocolade kerstkransjes de kamer binnen. Wij zaten zogezegd aan de thee met een versnapering.
Kringelde daar nu een rookwolkje bij de haard? Nee vast niet, of toch, ja toch geloof ik, niet één maar meerdere.
Mijn vader stond op en keek aandachtig naar het rokende gebeuren en draalde niet om in te grijpen .
Met een resoluut gebaar sloot hij manhaftig de olietoevoer af en langzaam maar zeker ging de warmteverspreidende haard uit, weg warmte.

Maar er bleef rook omhoog stijgen vanuit de houten vloer, sterker nog het werdt een beetje mistig in de woonkamer.
Ook elders in het huis wordt het wat rokeriger. 'Jan’, sprak mijn vader ‘ga jij eens bij de benedenburen door de brievenbus kijken.’
Onze benedenburen, meneer en mevrouw de Koning, waren godsvruchtige mensen en verbleven op dit tijdstip waarschijnlijk in hun kerk, de katholieke kerk een paar straten verder op.Ik ging zoals mij was opgedragen naar beneden en keek door de brievenbus bij de buren naar binnen.
Ja, ach het was daar een beetje rokerig, wist ik veel met mijn twaalf jaar. Ik rapporteerde dat aan mijn vader, welnu daar kon hij geen brood van bakken.
Mijn vader nam nu de algehele leiding op zich en gelastte mijn oudste broer om nogmaals te kijken.
‘Het sta er vol rook Pa’ riep hij naar boven.
Vader riep tegen mijn moeder dat ze de brandweer moest bellen en tegen Jaap dat hij met weidse gebaren beneden de brandweer moest tegenhouden, want je weet maar nooit met die lieden, straks rijden ze gewoon door. Met een verontwaardigd gezicht en enkele krachttermen, zo van ik ga daar een beetje voor lul staan, ging mijn broer Jaap naar beneden.
Mijn andere broer had zich ontfermd over de fondant en chocolade kerstkransjes, stel je toch eens voor dat die rookschade zouden oplopen, en ging met deze lekkernijen uit het reeds openstaande raam kijken.
Nu staat er wel dat de lekkernijen ook uit het raam keken, maar de oplettende lezer zal begrijpen dat deze op smakelijke wijze werden verorberd.


In de verte klonken de geluidssignalen van de aanstormende brandweerwagen.
Ook ik keek nu samen met mijn broer Dirk, die van de kerstkransjes, en met mijn aanstaand schoonzusje, uit het raam naar de brandweerauto die aan de linkerkant van de weg luid bellend kwam aangereden.
Van mijn oudste broer geen enkel spoor, hij hield zich verdekt in het portiek op. Toch stopte de brandweerauto op het opgegeven adres. De brandweerlieden stapten uit en gingen met slangen en al het portiek op.
Mijn vader die, zoals ik reeds zei, de algehele leiding op zich had genomen, haastte zich naar beneden om daar zijn leidinggevende capaciteiten te demonstrerenDe brandweer had de voordeur al geopend, zodat mijn vader zich in het halletje van de benedenburen kon posteren.
Hij had succes, want de brandweerlieden kropen door het halletje.De brandweercommandant sprak mijn vader op een vriendelijke toon, zoals je dat onder leidinggevenden mag verwachten, aan.
‘Mijnheer’ sprak hij, ‘het is verstandiger om te bukken, omdat de rook omhoog stijgt’, hetgeen wij boven al gemerkt hadden. Je kon er nu praktisch geen hand voor ogen zien.
Gepikeerd ging mijn vader weer naar boven, omdat daar naar alle waarschijnlijkheid zijn capaciteiten meer gewaardeerd werden.
In de tussentijd was ik de woonkamer binnengelopen, waar mijn moeder drukdoende was. Met een plof stortte een brandweerman op het balkon, misschien wel rechtstreeks vanuit de hemel neergedaald. Een brandweerengel wellicht, die door de almachtige naar het wereldse gezonden was om onze Kerst niet geheel in het water, zeg liever in de rook, te laten vallen. Hij tikte op de openslaande balkondeuren en mijn moeder haastte zich om de deuren te openen.
Vriendelijk groetend kwam hij binnen, waar op mijn moeder sprak, ‘u moet hier niet wezen, u moet beneden zijn’.
De brandweerengel liep door de kamer naar de gang en liep de trap naar beneden af, waar hij in de rook verdween.
Vader riep dat er geëvacueerd moest worden. Nee niet wij, maar de toen aanwezige huisdieren en dat zullen in die tijd een kanarie en wellicht een hamster geweest zijn. Ik weet dat niet meer. Zij werden in een tussenkamertje geplaatst dat dienst deed als badkamer. De tussenkamer had alleen een bovenlicht dat door middel van een touw open getrokken kon worden, wat ook gebeurde. Wij, de kinderen, hingen uit de openstaande ramen en keken naar het schouwspel beneden.

Er was al een aardige oploop van nieuwsgierige mensen, die waarschijnlijk stonden te wachten dat wij gillend en al uit de ramen zouden springen, maar niets was minder waar.
Wij keken enigszins minzaam glimlachend naar hen, ach het was ook alleen maar rook, veel rook.
Op de eerste etage werd door de aanwezige brandweerlieden het smeulend vuur geblust, huisraad werd uit het raam gegooid, waarna het op de straat nog nasmeulde.
Er lagen ook veel muziekboeken en bladen op de straat, aangetast door het vernietigende vuur , je moet namelijk weten dat onze benedenbuurman muziekleraar was en ook daarover kan ik nog honderduit vertellen.
De brand was meester en de brandweerlieden ruimden hun spullen op, stapten in de rode brandweerwagen en keerden naar hun kazerne terug.
Alle ramen en deuren bij ons thuis stonden open, het gevolg er van was dat de koude decemberlucht ons huis geheel vulde.
Wij liepen daarom met dikke truien en winterjassen aan.
Toen de rook was opgetrokken en de gemeentereiniging de straat weer had opgeruimd, gingen bij ons de ramen en deuren weer dicht en werd de oliehaard weer ontstoken.
Ik zou het nog bijna vergeten te vertellen wat de oorzaak van al dat ongemak was. Mijnheer en mevrouw de Koning hadden, zoals dat een praktizerend katholiek betaamd, een kerststal. In zo’n kerststal staat een kaarsje en meer hoef ik dus niet te vertellen.
De schade viel weliswaar mee, maar nog maanden hebben wij mogen nagenieten van de odeur, of liever gezegd de stank die zo’n brand teweeg brengt.
Het was voor ons een koude Kerst, maar voor meneer en mevrouw de Koning een bitterkoude Kerst.

 

 Terug naar de inhoud verhalen