...een fictief griezelverhaal

Het moet nu al zo'n 15 jaar geleden zijn, dat we een indienststelling hadden van een seininstallatie op de spoorlijn Den Haag-Leiden. De maanden er voor hadden mijn collega's en ik dit technische hoogstandje op het kantoor in Utrecht bedacht en uitgewerkt. De aannemer van het spoor, de firma Electro Rail, had de installatie aangelegd. Daarna moest deze worden getest en in dienst gesteld worden.
Het was eind april en het testen werd het liefst in het weekend en in de nacht gedaan, omdat er dan geen treinverkeer was. Nico Populier zou de test uitvoeren met behulp van een aantal techneuten waarvan ik er één van was.
Enkelen van ons stonden in de zogenaamde relaishuizen en anderen in de polder bij de diverse relaiskasten.
Mij was gevraagt of ik bij relaiskast 413 wilde gaan staan, om de verschillende standen van de relais (elektrische schakelaars) te bekijken en deze aan Nico, via een telefoon vanuit de relaiskast, door te geven gedurende de gehele test. Eerst zou een andere collega dat doen, maar toen hij vernam dat kast 413 naast het oude kerkhof stond, werd hij onzeker en vroeg of hij toch maar alstublieft ergens anders ingezet kon worden.
Ik kende het het baanvak nog goed uit mijn vorige functie en zag geen probleem om bij dat oude kerkhof te gaan staan. Ik had daar nog nooit een geest gezien, die moeizaam de deksteen van zijn graf probeerde af te schuiven, om hierna de achteloze nachtelijke wandelaar de stuipen op het lijf te jagen. Nooit had ik daar, als ik daar vroeger weleens was om een storing te verhelpen, een angstige kreet door de nacht gehoord. Dus werd ik gevraagd.


Eigenlijk zou ik mijn werkzaamheden in een warm relaishuis hebben, maar om mijn collega's ter wille te zijn stemde ik er in toe.
Ik werd met een busje van het seinhuis op het Hollandse Spoor station naar het gewraakte kerkhof gebracht. Daar stapte ik uit en liep langs het grafveld naar de spoorbaan, ik stak de spoorrails over en na enkele meters was ik bij relaiskast 413. Ik opende de kast met een sleutel en zocht verbinding via de telefoon met Nico Populier die op het seinhuis in Den Haag de test zou uitvoeren.
Het zou een lange nacht worden. Af en toe vroeg Nico hoe de standen van de relais waren, waarna het weer een hele poos stil bleef.
Nu riep een ander collega, Harm genaamd, mij op 'Jan er komt in jouw richting een vent aan gelopen, hij heeft de trein naar Leiden gemist, dan weet je dat alvast. Ik heb hem nog gewaarschuwd dat je niet langs het spoor mag lopen, ik weet niet of hij zich daar iets van aan trekt'. Maar na een kwartier was er nog steeds niets van de wandelaar te bekennen. Ook later heb ik niets meer van hem vernomen, vreemd eigenlijk.
Naast het talud beneden mij lag een kleine sloot waar een eend plotseling begon te kwaken. Ook een andere, niet te benoemen vogel, liet vanuit de verre duisternis wat van zich horen.
Het was knap koud, zo eind april, een gure noord-westenwind waaide dun langs mij heen. Ik zocht de luwte van de kast op en dook nog dieper in mijn warme parka, die ik voor dergelijke gelegenheden had aangeschafd.
De hoorn van de telefoon had ik in mijn zak gedaan. Als Nico mij nodig had kon hij door middel van een kort piepgeluidje, via de telefoon, dat aan mij laten weten.
Het werd nevelig en de kou drong door mijn jas heen... Ik haalde uit mijn binnenzak een pakje sigaretten en stak er één op. De rook vermengde zich met de vroege ochtendnevel.

Weer klonk er een kreet van een vogel door de stille nacht en de eend naast mij in de sloot liet zich niet onbetuigd. Hij fladderde wat op om even verderop zich weer in het water te laten glijden.
Hoorde ik nu stappen dichter bij komen, toch nog die vent die zijn trein gemist had? Maar ze kwamen van de andere kant af. Ik gooide mijn sigaret weg en stak mijn hoofd om de relaiskast om te kijken wie daar nu wel aan mocht komen. Niets, ook het geluid van voetstappen was er niet meer, alleen slechts een koude wind die ik in het gezicht kreeg en mij deed huiveren.
De telefoon kraakte even, daarna was het weer stil. Er was nu geen enkel geluid meer te horen, zelfs de eend naast mij was stil en ook klonken er geen kreten meer uit de wijde omtrek.
Ik wreef mij in mijn nu koudgeworden handen in een poging ze weer wat warmer te krijgen. Ik zocht mijn plaats achter de kast weer op en uit verveling stak ik maar weer eens een sigaret op.
Een mens moet wat.

Ik moet daar een kleine tien minuten gestaan hebben.
In de verte klonk een geluid die mij aan een stoomfluit deed denken. Het geluid klonk uit de richting van Leiden. Ik dacht nog aan de één of andere grap toen het weer klonk. Ik liep naar de andere kant van de kast en tuurde door de nachtelijke nevelflarden heen.
Weer klonk het geluid alleen nu duidelijker en dichterbij, ook was er nu ver weg een licht waar te nemen.
Even dacht ik dat er een stoomtrein aan kwam, maar deze gedachte verwierp ik meteen. Het baanvak was voor onze werkzaamheden afgesloten en wie rijdt er nu 's nachts met een stoomtrein.
Maar nu waren er duidelijk sissende en blazende geluiden te horen, die onmiskenbaar van een stoomlocomotief waren.
Het licht van de naderende trein kwam dichterbij. Maar wat zag die aanstormende trein er vreemd uit. Het leek wel of je er door heen kon kijken. Hij was zichtbaar en toch ook weer niet.
De wind was ijzig koud geworden en over mijn rug liep een rilling. Ik kon mij niet meer bewegen, de angst had bezit van mij genomen.


De doorzichtige locomotief met een aantal rijtuigen was nu duidelijk waarneembaar. Zelfs de machinist, hij hing uit het raampje van de stoomlok met een pet op en voor zijn ogen een stofbril.
Toen de trein vlakbij was zag ik tot mijn ontzetting dat het gezicht van de machinist een kale schedel was, waarvan de ogen in de oogkassen ontbraken.
De trein reed met donderend geweld langs mij heen en in het voorbijgaan zag ik dat achter de ramen van de wagons halfvergane lijken zaten, die mij door hun hand op te steken, of van wat daar nog van over was, groetten.
Het was een akelig gezicht en ik kon geen woord meer uitbrengen, mij was de mond gesnoerd.
Een schele harde pieptoon klonk er door de nacht en er werd geroepen 'Jan, Jan...
Jan kom er eens in', riep Nico door de telefoon.
Plotseling was de griezelige trein verdwenen. Waren de angstaanjagende zombies naar hun dodenakkers teruggekeerd?
Ik gaf Nico de relaisstanden door.
Hij zei dat we klaar waren met testen en dat ik zo op gehaald zou worden met "het busje".
De eend fladderde wat en liet een welluidend gekwaak horen, ook de andere vogels zongen om het hardst om de nieuwe dag te verwelkomen.
De eerste zonnestralen lieten hun licht op de oude zerken van het kerkhof vallen.

 Terug naar de inhoud verhalen

 
 

Lees ook het angstaanjagende relaas van Danil en Timber in: Het zal je maar gebeuren...