Het dagelijks leven in de jaren vijftig

Veel luxe was er niet, geen warmwatervoorziening, geen wasmachine en geen centrale verwarming. Wij moesten het maar doen met een potkacheltje. Een soort zwarte pijp, die op drie voetjes stond, met daaronder een zwartmetalen ronde plaat waar asbest onder lag. Wisten wij veel...
In de wintertijd werd door mijn vader iedere ochtend het kacheltje aangestoken.
Wat krantenpapier, aanmaakhoutjes en wat eierkolen. Deze volgorde werd herhaald tot het kacheltje vol was. Een scheut spiritus erbij, lucifertje en snel de deksel er op. Tegen de tijd dat het warm begon te worden, was mijn vader naar kantoor en de kinderen op school. Maar de spil in het huisgezin, mijn moeder, zat er in ieder geval warmpjes bij.

Dat was niet het geval als Koning Winter het flink liet vriezen. We hadden een vrij groot huis met grote kamers en als het goed winterde verhuisde het gezin naar de slaapkamer van Pa en Ma. De hele inboedel werd verplaatst, de slaapkamer werd woonkamer en de woonkamer werd slaapkamer. In de slaapkamer zat ook een rookkanaal waar het potkacheltje op aangesloten werd.

Huishoudelijkheden

Zoals het een keurig gezin betaamde werd er op de maandag het textiel gewassen. Er stond dan in de keuken een houten stellage die uitgeklapt kon worden.
In het midden een op handkracht aangedreven wringer, met aan beide kanten grote teilen.
Het wasgoed werd in emmers op het vierpits gastel, toen nog stadsgas, schoongekookt en geboend met Sunlightzeep, uitgespoeld en door de wringer gehaald. Daarna hing het wasgoed aan waslijnen buiten te drogen.

In de keuken zat boven de gootsteen een armetierig kraantje waar koud water uitkwam, in de winter steenkoud water. Daar moesten we ons iedere ochtend bij wassen. Tandenpoetsen en snel een washand over het gezicht. Ja, je was ook gelijk klaar wakker.
En 's avonds voor het slapen gaan zo'n overheerlijk lepeltje levertraan, dan konden we er weer goed tegen.
Toch was het huis van enige luxe voorzien, op de wc was een fonteintje (een wastafeltje met een koudwaterkraantje).
Het radiogebeuren en vers gezette koffieradiodistributie

Naast de deur in de woonkamer stond een luidspreker op de grond. Er liep een draadje naar boven dat eindigde met een stekkertje in een op de muur gemonteerde zwart schakelkastje. Dit had een draaiknop met vier standen, Hilversum 1, Hilversum 2, een Duits- en een Engelstalige zender. Ook kon je met een ander ronddraaiend knopje het volume instellen.

De radiodistributie, een door de PTT verstrekte voorloper van de kabeltelevisie.

Er werd toen, naar ik meen, geluisterd naar "Weer of geen weer" gepresenteerd, op de zondagochtend, door Bert Garthof, met als onderdeel van dat programma "alles wat leeft en groeit, ons steeds weer boeit" door Dr. Fop I Brouwers.
Voor mijn moeder, die coupeuse was geweest bij de Bijenkorf, was er het doordeweekse "met naald en schaar" boeiend uitgelegd door Ida de Leeuw van Rees. Ook was mijn moeder fan van de "ochtendgymnastiek" door Ab Gauwbits, die met de legendarische woorden begon, staat U allen klaar...

In de keuken werd met het handje de koffie met een aan de wand vastgeschroefde koffiemolen gemalen. De koffie werd daarna, zonder het welbekende Mellitafiltertje, met een keteltje warm water gezet.
De keuken en de gang roken heerlijk naar pasgezette koffie, of er nog smaak in de koffie zat? Wat ik wel weet was dat er voor het verlies van smaak een smaakstofje werd toegevoegd uit het welbekende blikje Buisman.


Wij hadden op de Rijswijkseweg kamer en suite. Twee vrij grote kamers, waarvan één de woonkamer (huiskamer) was en de andere, zoals dat bij ons thuis genoemd werd, de salon. Op een boerderij zou men dat de pronkkamer genoemd hebben. De twee kamers werden gescheiden door een paar schuifdeuren. De salon was voor ons kinderen streng verboden gebied.

In deze salon werden de gasten ontvangen. Er was in tegenstelling met de woonkamer een ware kolenhaard, met van die mika-plaatjes waardoor je het smeulend vuur kon zien, die echter alleen op een zondagse winterdag werd aangestoken. Een beetje Haagse kak met een vleugje Rotterdamse air? Waarschijnlijk wel.
Zo heette het balkon bij ons thuis warande, en de stoep voor het huis het trottoir.
Orde, netheid en discipline, dat gold in ons huis.

Wie is toch die man die op zondag het vlees kwam snijden...?

Zondagse kleren...

Zondagmiddag

Op de zondagmiddag, in je zondagse kleding verplicht wandelen langs straten en lanen.
Eerst werd door vader bij het koudwaterkraantje in de keuken je haar enigszins nat gemaakt en met de kam werd er door hem een scheiding ingelegd. Als een stomp mes sneed de kam door je haren.
Mijn beide broers en ik kunnen het gevoel van deze handeling nog steeds oproepen.
Wandelen op zondagmiddag, waarbij onze ouders slenterend langs de etalages van de winkels liepen. Wat ging dat langzaam, het was meer flaneren wat zij deden.
Wij moesten voor hen uitlopen, zodat wij geen kattekwaad zouden uithalen, waarbij wij onze zondagse kleding konden bevuilen.

De revolutie

In de loop van de jaren 50, kwam er bij ons een bijzonder luxe en revolutionair pronkstuk in huis, Jawel, de televisie. Een Philips TX tafelmodel met een beeldbuis van 43 cm. voor het lieve sommetje van fl 995,00. Dan kwam er nog bij een op het dak te plaatsen televisie-antenne, of die bij de prijs was inbegrepen weet ik niet.
Eén televisiekanaal met viermaal in de week een uitzending, op dinsdagavond, woensdagmiddag voor de kinderen een uurtje, donderdagavond en zaterdagavond van 20.00 uur tot 22.00 uur-22.30 uur.

Aan het eind van de uitzending werd je dan welterusten gewenst door de omroepster en kon je naar bed. Als je daar nog geen zin in had kon je tot 12 uur naar de radio luisteren, maar dan was het ook echt afgelopen. Het Wilhelmus klonk en dat was dat.
Zelfs de straatverlichting ging op halve kracht. De nacht was toch maar alleen voor boeven en gespuis.

Daar wordt aan de deur gebeld

In die dagen kwamen allerlei leveranciers aan de deur. Daar had je dan de melkboer, meneer Beek, met zijn bakfiets, de bakker van de firma Hus met handkar, de schillenboer met paard en wagen en eveneens met paard en wagen kwam de olieman.
De olieman was er laat op de vrijdagmiddag. Hij had een bijzondere wagen, uitgevoerd in hout met aan de zijkanten vitrinekastjes met daar in allerlei produkten, zoals de bekende Palmolive en Sunlightzeep, Lodaline voor de fijne was, het hout en glaswerk en de afwas, groene zeep, soda en niet te vergeten dweilen en borstels.
"Lodaline, iedere huisvrouw kan schoonheidskoningin zijn", vertelde de reclame.

Achterop hingen diverse bezems voor het schoonvegen van straat en vloer. Natuurlijk verkocht de goede man ook olie, petroleum voor het petroleumstel in de keuken, waarop het rundvlees langzaam werd klaar gestoofd.
De straat waar wij toen woonden was een winkelstraat. Zo'n winkelstraat is goed te vergelijken met het hedendaagse winkelcentrum. Je kon er van alles kopen, zo had je er een banketbakker, groenteboer, drogisterij, sigarenzaak, poelier, winkels in lederwaren, huishoudelijke artikelen, speelgoed, schoenen en schoenmakers, een dierenwinkel en nog veel meer. De winkels werden in die dagen bevoorraad met vrachtauto's en paard en wagen. Ik kan mij dat nog goed herinneren dat bij de slagerijen bij ons aan de overkant, het waren er maar liefst drie, het vlees door de firma Piet van Touw met paard en wagen aangevoerd werd. Halve koeien en varkens, rechtstreeks afkomstig van het slachthuis, werden door mannen op hun rug de slagerij binnen gebracht.
De slagerij op de hoek had enkele verkoopsters in dienst en als je wat gekocht had riepen ze steenvast "anders dan nog iets" ik snapte als kind totaal niets van deze literaire zinssnede. Gelukkig voor mij heb ik met het stijgen der jaren het wel begrepen.

 

Tussen de middag kon je als je te laat was voor een gesloten deur staan, de winkels gingen gewoon tussen de middag dicht om te lunchen, van één tot twee uur.
Zo ook op de woensdagmiddag en natuurlijk de gehele zondag.
Supermarkten waren er in de vijftiger jaren nog niet, maar we hadden wel de buurtkruidenier "De Gruyter" met het snoepje van de week dat je bij de aankoop van tenminste 4 gulden voor slechts één dubbeltje kon verkrijgen. Daar werd men keurig bediend door nette en bijzonder vriendelijke winkelmeisjes. De bekende slogan uit die tijd: 'en betere waar, en 10 procent, alleen de Gruyter.'
De 10 procent duidde op een korting van een gulden op elke tien gulden aan boodschappen, waarvoor de oranje kassabonnetjes moesten worden bewaard.
Haalde het niet in je hoofd om tegen mijn moeder te zeggen dat je je verveelde, want je werd direct aan het tellen gezet.

- Heerlijk, heerlijk deze thee,
Wie drinkt er nog een kopje mee -

En daar deden we het dan maar mee.

Het katholicisme

We woonden in een nogal Katholieke buurt. Iedere zondag werd op verschillende tijdstippen, verspreid over de dag, de klok geluid om de gelovige op geroepen ter kerke te gaan. Wij waren thuis niet gelovig, maar ondanks dat werden we eveneens op de zondagochtend gewekt door het luiden der klokken. Zwijgend begaven de kerkgangers met de bijbel in de hand al lopende over de Rijswijkseweg in hun zondagse kleding zich naar de mis, en wij naar het ontbijt. Het zij zo.
Omdat er in die dagen op de vrijdag door onze katholieke buurtgenoten vis genuttigd diende te worden waren er diverse viswinkels. Er was er ook één bij ons schuin aan de overkant. Deze viswinkel werd gedreven door een vrouw die naar de naam Adrie luisterde. Niets aan deze vrouw was vrouwelijk te noemen. Zij was zo sterk als een paard. Iedereen was onder de indruk, zoals zij daar met zware kratten vis rond liep. Het was een boom van een vrouw, waarvan gefluisterd werd dat 'het een vriendin had'. Ik als kleine jongen zag daar toch totaal geen kwaad in, en vandaag de dag nog steeds niet. Zal ik het nu nog steeds niet door hebben? Toch kocht iedereen daar zijn vis, misschien wel door angst gedreven?

Luxe

Mijn beide grotere broers hebben, in vergelijking met de huidige tijd, het langer Spartaans gehad dan ik, de benjamin.
Al snel kwamen er allerlei "luxe" producten op de markt en dus ook in ons huis.
De wasmachine, een zogenoemde langzaamwasser met elektrische wringer, later bij gestaan door een centrifuge, de elektrische koffiemolen, een moderne stofzuiger, die de sledestofzuiger verving.


En denkend aan het stofzuigen, zie ik weer het Jabo, de vaste vloerbedekking, op de grond in de kamer liggen, 100 cm. breed voor fl 8,50 per meter.
Mijn ouders kochten zelfs een heus meubel met ingebouwde radio en platenspeler voor in de salon, voor vertier op de zondagmiddag en -avond.
Na veel gezeur van mijn moeder kwam er een koelkast, die ijsblokjes in een vormpje maakte, wat we heel bijzonder vonden, voor in de keuken, de ijskast genaamd.
Zelfs de kolenkachels werden oliehaarden.

Zo zijn we even terug gegaan naar de jaren 50 van weleer.
Er is natuurlijk veel meer te vertellen over die tijd, éénmaal in de week in het teiltje in bad en later naar het badhuis, op vrijdag- of zaterdagmorgen, een ligbad of een stortbad. Later kregen we een eigen badkamer. De trapnaaimachine van mijn moeder enz. enz.
Ja, met recht een tijd om nooit te vergeten.

Terug naar de inhoud verhalen