Besmettelijke ziekten

De zuigelingensterfte was in de 19e eeuw gruwelijk hoog. Besmettelijke ziekten zoals cholera pokken en de tering (tuberculose) maakten vele slachtoffers, ook bij de familie Kortland.

De voornaamste oorzaak van cholera was het verontreinigde water wat men uit de sloot of de rivier haalde en het in de keuken gebruikte en de niet of nauwelijks aanwezige riolering. Ondanks dat er in die jaren het een en ander gedaan werd om de ziekte tegen te gaan, het verstrekken aan de minvermogenden of behoeftigen in de gemeente van geschikt voedsel, dranken en verkwikkingen bleef de sterfte hoog. Er was geen ziekenhuis of een dergelijke inrichting om de zieken te verzorgen. Men moest de arme drommels thuis verplegen, met alle gevolgen van verspreiding bovendien.

In 1867 bereikte de gemeente een brief om maatregelen te nemen en dat was niet de eerste keer. Geantwoord werd "dat de ingezetenen ten zeerste wordt aanbevolen te zorgen voor reinheid, matigheid, luchtverversching en het gebruik van zuiver drinkwater en gezonden voedzamen spijzen" en dat van gemeentewege werd "zorggedragen voor de reinheid van goten en riolen enz.", doch, "dat aan het benoemen van een Cholera Commissie of het inrigten van een lokaal voor Cholera lijders niet valt te denken". Verder zouden "woningen waarin de Cholera zich mogt vertoonen onmiddelijk behoorlijk ontsmet worden".

Pas in 1892 werden er drastische maatregelen genomen, wat inhield dat mesthopen in de bebouwde kom werden verboden en privaten en rioleringen werden geinspecteerd en met carbolzuur besprenkeld, indien zulks noodig was.

Armoede

turfstekerHet waren zware tijden in herfst en winter. De gewassen waren van het land en menigeen had in die koude maanden geen inkomsten. Ook door ziekten en overlijden kwamen mensen in financiele moeilijkheden. Tegenwoordig kennen we de bijstand, het financiele vangnet, toendertijd kende men de armenzorg, die uit de gemeentekas betaald werd.

Voor het goed funtioneren van de armenzorg werden ieder jaar een armmeester aangesteld, die de "Geldelijke Verantwoording" droeg.
Zij waren met de dagelijkse werkzaamheden belast. Zij moesten kunnen lezen, schrijven en rekenen. Zij ontvingen geen vergoeding voor hun werk. Daarom waren zij meestal afkomstig uit de gegoede deel van de bevolking.

In 1839 vervulde Jan Kortland deze functie, misschien wel die Jan Kortland die met Marrigje van Hees getrouwd was, maar met zekerheid is dat niet te zeggen, denk hier bij aan de uitgestorven takken, ofwel zij die geen zonen kregen.
Zo was de ene Kortland armmeester, de andere Kortland moest om steun vragen.

Zo lezen we in de archieven uit 1832:

Vierde Kapittel: Bedeeling aan Kostgelden, Huishuur, Onderstaand aan geld enz.
Aan de wedewe B. Kortland 37 weken bedeling 70 Ct per week - 25:90
Aan haar kinderen tijdens haar gevangenschap - 4:24
Aan Arie Kortland voor een der kinderen voor zes en halve week - 6:50
Bij 't begraven van dit kind - 1:18
Vijfde Kapittel: Allerhande zaken
Betaald voor drie en half el wol voor een stoof ten behoeve van de Wed.
B. Kortland. - 1:121/2

Over Kroegen en Spiritualiën >