Langs verlichte wegen

Tegenwoordig zijn we gewend aan goed geplaveide en verlichte straten, dat was in de 19e eeuw wel anders. De wegen waren onverhard, dat wil zeggen er waren zandwegen en begrinde wegen, die in de herfst en winter meestal modderig en slecht begaanbaar waren.

Zo was er in Groot-Ammers de Kerkstraat bezand en de Gravenlandschen dijk was een begrinde rijweg met een lengte van maar liefst 3680 meter, zo ook de Lekdijk over een lente van 4400 meter en die 5 meter breed was.

Een karretje dat op de zandweg reed,
de maan scheen helder de weg was breed.

Straatverlichting kwam in Groot-Ammers pas in 1874. Toen mijn bet-overgrootvader Johannes (1820), omstreeks het jaar dat mijn overgrootvader, die ook Johannes heette, en die geboren werd 1858, in de donkere avond eens naar buiten ging, misschien om even gebruikte maken van het "gemak" en hij naar boven keek zag hij het uitspansel bezaaid was met sterren.

Johannes 1820
Johannes Kortland 1820 - 1907
Johannes 1858
Johannes Kortland 1858 - 1930

Dat is tegenwoordig wel anders. We spreken vandaag de dag van lichtvervuiling en hunkeren naar een prachtig sterrenhemel, iets wat voor Johannes de gewoonste zaak van de wereld was.

Toen in 1874 de eerste straatlantaarns, die voorzien waren van een flinke petroleumlamp, op duistere plaatsen aangebracht werden, werd dat door de bevolking zeer gewaardeerd. Ze werden vooral geplaatst op die plekken die de passage, bij nacht, moeilijk en gevaarlijk maakten. Later werd de straatverlichting verder uitgebreid. In 1875 werd een lantaarn geplaatst in de nabijheid van het huis van dokter Van der Mijle en in 1877 een aan de westzijde van de veerdam aan het Schoonhovensche Veer. Op verzoek van de dokter werd besloten dat de lantaarn voor zijn huis de gehele nacht mocht branden, mits hij zelf zorgde "dat de lantaarn tegen het aanbreken van den dag door hem of zijnertwege worde uitgedaan".

Heel wat mannen gingen 's avonds met een laddertje rond om de lampen te ontsteken en ze later weer te doven. In ons dorp deed C. Stok dat. Uitgerust met een laddertje toog hij naar het raadhuis waar een lantaarn ontstoken diende te worden. Hij plaatste zijn laddertje tegen de gegoten arm van de lantaarn en toen hij reeds naar boven was geklommen brak deze arm af en viel hij over het bordes van het raadhuis naar beneden. Hij bezeerde zich in hooge mate. De resterende lantaarns zullen die bewuste avond wellicht niet ontstoken zijn...

De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden >