Naar
buiten, maart 2001
Guusje
is nu alweer een half jaar bij ons in huis. Het is een echte drukteschopper,
zit overal op of in, iets wat ik niet altijd zo kan waarderen. Het ging
zelfs zover dat de boekenkasten beklommen werden met alle gevolgen vandien.
Stel
je eens voor, ik lig 's avonds, na een drukke dag, gezellig met mijn vrouw
Inge op bed naar de televisie te kijken, met een drankje en een nootje,
en Guusje loopt in de kamer van alles uit te halen.
Plotseling klink er glasgerinkel.
Als je poezen gewend ben zet je de meest delicate spullen, waarvan de
meeste nog breekbaar zijn ook, op een veilige hoogte. We hebben al heel
wat poezen en katers gehad en deze werkwijze werkte uitstekend.
Maar met onze Guus dus niet.
We hadden, voor de kerstdagen verleden jaar, twee roodglazen waterkandelaars
gekocht. Deze fragile kandelaars had ik voor de veiligheid, voor Guusje
en voor de kandelaars zelf, boven op de boekenkast gezet.
Wel, we hebben nu dus nog één fragile roodglazen waterkandelaar
over, en die staat nu ook niet meer op, maar in de kast.
Aangezien Guusje nog niet buiten in de tuin kwam, op die ene keer na dat
ze door het openstaande raampje van onze, op de begane grond gelegen,
badkamer was ontsnapt, was nu de tijd aangebroken dat ze iets meer van
de wijde wereld zou moeten gaan verkennen. Met andere woorden, het huis
was voor ons Guusje wat aan de krappe kant geworden om zich volledig te
kunnen ontwikkelen.
Dit is best wel spannend, want je ziet in gedachten allerlei rampen met
onze kleine poes zich afspelen. Een kat heeft weleenswaar negen levens,
maar toch.
Daar ging onze kleine meid op een maandagochtend, op ontdekkingstocht
de tuin in. Ik had nog van alles door te nemen en nam plaats op mijn heerlijke
relaxfauteuil bij het raam in de woonkamer.
Na een klein kwartiertje vlogen er allerlei vogels rondom ons huis. Kraaien,
eksters en zelfs meeuwen.
Wij hebben een denneboom, een grove den om precies te zijn, aan de zijkant
van ons huis staan. Hij steekt zeker al een anderhalve meter boven de
nok van ons dak uit.
De al genoemde vogels vlogen, al krijsend en schreeuwend, rondom deze
boom, en mijn aandacht werd er door gewekt.
Wat zal daar nu aan de hand zijn, vroeg ik mij af. Plotseling schoot mij
maar één ding door mijn hoofd, Guusje.
En jawel hoor, toen ik ging kijken in de tuin zag ik het al. Op de zelfde
hoogte als de dakgoot zag ik Guusje in de boom zitten, van de één
op de andere tak springend.
Ik riep nog: Guusje, Guusje, maar dat resulteerde in niets. Ik maakte
zelfs geen indruk op de wild heen en weer vliegende vogels.
Geef het maar op man, zei ik tegen mij zelf, en ben maar weer naar binnen
gegaan.
Na een minuut of tien verstomde het lawaai en Guusje kwam met een dikke
staart naar binnen.
De strijd was gestreden, de boom was weer heroverd tot een rustig vogelparadijs.
Tot nu toe heeft Guusje zich niet meer in de boom gewaagd, ach er valt
op de grond al genoeg te ontdekken...
 
|